Wim Van Rompuy - copywritingVan Angoulême tot Saint-Savinien en terug

Charente

9 augustus – 23 augustus 1999


Zondag, 8 augustus

Zondagmorgen rond een uur of vier laat een volgeladen Volvo de Mechelse IJzeren Leen achter zich, haast spontaan zijn motorkap richting Frankrijk wijzend. Inzittenden zijn Inge, papa Wim, Maarten en Alexander vastgegespt en bovenop twee kinderfietsen. Respectievelijke leeftijden: 24, 36, 9, 7, 2 & 2.

Met een snelheidsmeter die niet boven de 120 uitgestegen is, bereiken we ‘s namiddags de Marais Poitevin. Een reusachtig moerasgebied, waarvan vooral het ‘natte’ gedeelte weet te bekoren. Hier konden tien eeuwen van nijvere mensenhanden de voormalige golf van Poitou immers nooit geheel intomen, zodat een uitgebreid stelsel van natte wei- en bosgrond ontstond, met tot het randje gevulde kanalen, grachten en sloten. Dit nationale park op de grens van de Vendée, de Deux-Sèvres en de Charente-Maritime, getooid met lieflijke dorpjes, doet zijn bijnaam van ‘het Groene Venetië’ dan ook alle eer aan.

Een rondrit voert ons langs het feestende Arçais, waar de op geitenkaas verslingerde Inge, haar eerste ‘Chabichou’ koopt. Bij de idyllische haven, waar eertijds het populierenhout afgeladen werd, huren we een roeibootje dat ons een eind in de met eendekroos bezaaide moerassen laat doordringen. Nu ja, ‘roeibootje’: enkele van de reisgezellen slagen er met moeite in de peddels in een aanvaardbaar ritme door het water te laten klieven (het ‘Alexander-type’), terwijl anderen (het ‘Maarten-type’) dan weer al te energiek aan één kant peddelen, zodat onze sloep een grillig pad doorheen de nauwe kanalen volgt. We houden even halt om de grachtbodem te doorprikken met de peddel, zodat het opborrelende methaangas met een stekje kan aangestoken worden.

Een wandeling over drassige bodem voert ons daarna nabij Maillé tot bij een ‘kettingboot’, eeuwenlang voor de moerasbewoners het enige middel om zich over de grachten te trekken. Ook het vermelden waard zijn de rit van Damvix naar la Rivière over de meest onooglijke wegels en de krakkemikkige bruggetjes doorheen het ‘Marais Sauvage’ én het sluizenstelsel van Maillé. Daar kruist de weg van Alexander zowaar die van een ‘slak zonder deksel’, beter gekend onder de benaming ‘naaktslak’.

Je bent met Wim op reis of je bent het niet: aan het einde van de dag staat een tientallen kilometers lange rondrit aan een (naakt)slakkengangetje, met drie schietgebedjes prevelende medereizigers op het menu, op zoek naar een benzinestation, waar de lege tank kan bijgevuld worden. Geen sinecure in deze godvergeten uithoek. Ter verschoning van Wim moet hier eerlijkheidshalve aan toegevoegd worden dat Inges route-aanwijzingen in het algemeen gespeend zijn van elk gevoel voor richting en kilometerschatting en derhalve vervangen worden door de (ahum) vrouwelijke intuïtie.

Maar goed, we halen onze ‘Chambres d’Hôtes’, een gezellige kamer voor vier in het onooglijk gehuchtje ‘Le Vanneau’, waar de kaartlezeres van daarnet Wim een aantal keer nodeloos laat voorbijrijden. De schattige gastenkamer ligt in een vrijstaand deel van een boerderij op een hectaren groot domein, dat zich rond de rivier ‘Sèvre Niortaise’ nestelt. Het gegrom van onze magen is intussen echter aangezwollen tot een oorverdovend gebulder, zodat we toch nog even op weg moeten naar Coulon. Hier worden we in een als pizzeria vermomde toeristenval onze Franse franken afhandig gemaakt, in ruil voor gruwelijk slecht voer, waar het lokale vee ongetwijfeld zijn neus voor ophaalt.

Je moet ze maar weten te vinden, de obers die op onze opmerking dat de ‘medium’-steak nauwelijks de pan langs de binnenkant gezien heeft, repliceert: «Ja, dat doe ik altijd zo, dan kunnen we hem altijd nog wat bijbakken». Hierbij zonder enig verwijl het van de champignonnensaus druipende vlees van ons bord prikkend, om het even later weer feestelijk voor onze neus neer te planten. We bedanken feestelijk voor een dessert of koffie en vallen een half uurtje later dodelijk vermoeid op onze bedjes.

Maandag, 9 augustus

Wanneer we ‘s morgens onze hoofden doorheen de luiken steken, lijkt ons bucolisch plekje van gisterenavond wel als door een mini-orkaan getroffen: de grond ligt bezaaid met takken en hopen groene bladeren en is nog zompiger dan gisteren. We schuiven aan voor het verzorgde ontbijt, waar de andere gasten en de gastheer ons met de nodige argwaan bekijken, als blijkt dat wij niets gemerkt hebben van de storm die vannacht met zwiepende windstoten en bakken regen de regio teisterde…

Rond een uur of tien is het inpakken en wegwezen, oostwaarts het binnenland in, de ontwortelde bomen en afgescheurde takken zorgvuldig ontwijkend. Het lijkt alsof de autochtonen nog nooit een Belg met twee fietsen op zijn dak gezien hebben, want we worden aangestaard en met de vinger gewezen. Een tiental kilometer verder, wanneer we toch wel lichtjes ongerust worden door deze ongewenste belangstelling, ontdekt Maarten de reden. Wanneer we daarnet met de auto wegreden bij onze gastheer en een merkwaardig gekraak hoorden, hebben we zijn zwaar toegetakelde linde blijkbaar nog een tak van enig kaliber lichter gemaakt. En die stak al die tijd triomfantelijk als een vaandel tussen de fietsen op ons autodak !

De rit gaat verder over zalig door de velden geweven ‘D’-wegen, waar het rustig tuffen is op de rechte stukken en lekker scheuren in de bochtige gedeelten. We bemerken de ruïnes van het vervallen kerkje van Villiers-sur-Chizé, waar we de talrijke borden negeren die wijzen op instortingsgevaar en de toegang strikt verbieden. Via de dorpjes Celles en Melle – een schitterende titel voor een VTM-reeks ? – komen we op de ‘Geitenkaas-route’, de route door het paradijs voor Inge, die in een lokale ‘Fromagerie’ een bediende er toch van kan overtuigen om haar van een kilo geitenkaas te voorzien, ofschoon het er sluitingsdag is.

We laten de departementale wegen node achter ons en voegen bij in op de ‘Nationale 10’, die ons in geen tijd in Fléac brengt, basis van de rederij ‘Charente-Croisières’. Ter plaatse kost het ons, gewapend met een vod van een plannetje, echter nog meer dan een uur om die gevonden te krijgen. Maar daar staat de eigenaar ons reeds op te wachten bij de witgele ‘Triton 860’, een acht meter zestig lange en drie meter twintig brede boot met een diepgang van vijf en zeventig centimeter. Mr.Cunat ontpopt zich tot een ware spraakwaterval, die ons liefst anderhalf uur onderhoudt over onze vaarroute. Elke sluis, zandbank en rots, elk kolkje en dorpje worden tot in de details beschreven. Met tuitende oren verrichten we vervolgens alle formaliteiten, met inbegrip van elke denkbare verzekering, zelfs eentje tegen het verlies van de kostbare schroef. Wim was immers een gewaarschuwd man, en die telt voor twee.

Op zoek naar de supermarkt slaagt Inge er weer in om de auto de volstrekt verkeerde richting (en nogmaals, en nogmaals … en nogmaals) uit te sturen op zoek naar de supermarkt, waarvan het plannetje haar nochtans netjes voorgetekend werd door de reder. Zich in het minst geremd voelend door het wedervaren in de heenreis, herhaalt zij het exploot op de terugreis, zodat de kinderen bij onze thuiskomst een zorgelijke uitdrukking na twee uur afwezigheid niet kunnen verbergen. Het was uiteindelijk dan nog een dronkaard, die ons de juiste weg toonde …

Na het overladen van alle valiezen en de halve voorraad aan levensmiddelen van de geplunderde supermarkt, is het ‘Moment Suprème’ aangebroken en na een eerste groepsfoto, steken we voorzichtig van wal. Een gestresseerde Inge mag, om haar angst wat te overwinnen, even oefenen op een rivierstuk, dat vrij is van zandbanken. Haar bevinding dat ze aan 30 km per uur vaart, wordt gecorrigeerd door Wim met de boodschap dat de wijzer eigenlijk 3000 toeren per minuut aanwijst. De maximale toegelaten snelheid op de Charente is immers 10 km/uur. Dat betekent zowaar dat we snelheidsovertredingen gaan plegen, want de 120 pk sterke Volvo-diesel stuwt ons aan een goede 14 per uur stroomafwaarts ! Inge leert wat de linker- en rechterkant van de rivier is, en hoe verwarring te vermijden door de termen stuur- (de rechterkant van de boot) en bakboord te gebruiken.

Voor de eerste sluis volgt een ‘droge drill’ van de sluisbediening. Allemaal samen … bovenschotten open : niveau stijgt; bovendeuren open, bootje in, bovendeuren toe; onderschotten open : niveau daalt; onderdeuren open, bootje uit, onderdeuren toe. De Charente verschilt immers van alle andere rivieren en kanalen van Frankrijk in die zin dat hier de uitdrukkelijke verplichting bestaat, de sluisdeuren aan beide kanten te sluiten, zodat er geen wrakhout in de kolk kan drijven.

De reden van dit speciale statuut ligt in het feit dat de Charente na eeuwenlang te zijn gebruikt als belangrijke verkeersader er na de oorlog volledig verlaten kwam bij te liggen. Dit leidde in 1957 tot de declassering, waarbij de rivier door de centrale overheid geschrapt werd van de nationale lijst van bevaarbare waterwegen. Gelukkig waren de lokale autoriteiten van beide departementen, de ‘Charente’ en de ‘Charente-Maritime’ vooruitziend en bekommerden ze zich over het management van ‘hun’ rivier. Vanaf de jaren tachtig werden de sluizen en de stedelijke kades geleidelijk aan hersteld en werden pontons aangelegd. Zo werd de ‘mooiste stroom van het koninkrijk’, zoals koning Hendrik IV hem noemde, in ere hersteld en biedt hij sindsdien elk jaar enkele duizenden pleziervaarders een drijvend onderkomen.

Het bevaarbare stuk voor houders van een tijdelijk vaarbrevet strekt zich uit van Angoulême tot de sluis in Saint-Savinien, vijftig kilometer verwijderd van de riviermonding in Rochefort. Dat is goed voor 115 kilometer. Wij besluiten stroomafwaarts te vertrekken en het kleine stukje stroomopwaarts tot in Angoulême voor de terugkeer te bewaren. Rond acht uur glijdt ons bootje netjes de sluiskom van Basseau in en zakt vervolgens een metertje, begeleid door het gesteun en gekreun van Inge, die merkt dat de bediening van schotten en sluisdeuren niet te onderschatten valt. Overigens zal ze nog ettelijke dagen elke sluis halsstarrig ‘kluis’ blijven noemen …

In de ondergaande zon meren we af aan twee overhangende bomen, een idyllisch plekje aan het einde van een paadje doorheen een maïsveld, waarlangs we ‘s morgens hopelijk een bakker kunnen bereiken. Het aanlegmanoeuvre loopt niet echt van een leien dakje, omdat Inge de vraag van een over de boeg naar de boom reikende Wim voor ‘een beetje gas’ vertaalt in ‘vol gas vooruit’. Dan maar achteruit tegen de stroom in en herbeginnen. Wonderbaarlijk is de invloed van deze enigszins stresserende omgeving op het darmstelsel van onze leerling-matroos, die Wim, Maarten en Alexander verblijdt met een knallende stoelgang op het kleine WC-tje naast onze gedekte tafel. De geur van de sla van spekreepjes en ei overstijgt weldra die van de minder welriekende gassen, zodat we ons even later met gevulde buikjes op onze britsen laten vallen. Voor Wim en Inge is dat in de kajuit, in het vooronder, waar een dubbelbed van 190 cm wacht op de exact 190 cm lange Wim ; Maarten en Alexander toveren voortaan elke avond de zitbank om tot hun dubbelbed.

Na vandaag exact 1 kilometer gevaren te hebben, slaapt iedereen toch als een marmot, op Alexander na, die een lange reeks van slaapwandelingen inzet en Inge, die in een claustrofobische aanval haar hoofd tussen het kleine ruitje probeert te murwen.

 

Dinsdag, 10 augustus

‘s Morgens is het zalig wakker worden onder de overhangende populier in een volstrekte stilte. Maar daar komt Maartens hoofd voor ons raampje piepen, dat voor Inge vannacht de reddende baken was (het raampje, niet het hoofd). Wim en Inge soezen nog wat en Maarten en Alexander stoeien tussen hun verfrommelde lakens. Rond half tien slagen we er dan toch eindelijk in om ons uit bed te hijsen, waarna ons bootje al aan een eerste opruimbeurt toe is ! Inge kuist de bemodderde achterkant van de boot in haar slipje, bewonderend nagefloten door enkele vissers die tussen het groen verscholen zitten. Intussen vaart een collega-zoetwaterkapitein ons aan de andere oever voorbij, de vaarinstructies op zijn vaarkaarten volledig negerend, zodat een dankgebedje niet zou misstaan omdat hij niet vastgelopen is op een op die vaarroute net onder het wateroppervlak verborgen muur …

Om elf uur besluiten we de fietsen aan wal te zetten om brood te kopen in een nabijgelegen dorpje. Als het laatste wiel de vaste grond raakt, trekken de wolken zich als op bevel samen en in een mum van tijd begint het te regenen. Dan maar overschakelen op ‘corn flakes’ en een half uurtje wachten om te vertrekken. Hàd gekund, maar alle banden staan plat en alle sturen en zadels te hoog of te laag. Kort na de middag is alles dan eindelijk in orde, wanneer een volgende stortbui volgt. Hierdoor niet in het minst uit het lood geslagen gaan we daarna toch op weg onder een stralende zon.

De vermoeiende (want klimmende) tocht voert ons door de schattigste dorpjes : Cheneuzac, Linars, waar we bekomen op een bank voor het kerkje, Les Bénechères, waar we in een bushokje schuilen voor een regenvlaag die nooit komt, en tenslotte Saint-Saturnin, met zijn verlaten kerkje. Er is slechts om de paar maanden een misviering, zodat alles er troosteloos en vervreemd bijligt. Dat geeft ons de gelegenheid tot een foto van op het oksaal, een van Inge met op haar badpak gedrapeerde pastoorsgewaden, en tenslotte eentje van Alexander die een donderpreek op de imaginaire gelovigen afsteekt van op de kansel.

Juicht, volkeren der aarde, vanaf hier gaat het enkel nog maar bergaf !! Zo racen we in één ruk tot in Trois-Palis met zijn artisanale ‘chocolaterie’. Een gids met een piepstemmetje dat het geklop met de bakplaten niet overstijgt, geeft ons blijkbaar enige uitleg, maar we beperken ons tot de talrijke degustaties. Voorzien van het nodige snoepgoed vatten we het laatste stukje van onze reuzentocht aan en belanden zo rond vier uur weer bij onze boot, die aangemeerd ligt net voor de sluis van Fleurac.

Een collega zet ook net van wal en samen met zijn vrouw draait Inge de sluisdeuren open. Wijzelf lopen echter nog de nodige vertraging op, wanneer onze topografische fietskaart van het terras waait en maar met het nodige gesukkel weer met de borstel kan opgevist worden. Onze collega loopt al die tijd rusteloos heen en weer aan de sluiskade : hij is er blijkbaar nog niet in geslaagd de dagelijkse stress van zich af te zetten en draait als een wildeman de schotten omhoog, intussen zijn eega afsnauwend. Onze pret kan niet op wanneer hij vervolgens aan de lier van de poorten begint te snokken, nog voor de sluiskom volledig leeggelopen is. Met een vuurrood hoofd neemt hij het zo op tegen een paar ton water en moet hij de duimen leggen. Boontje, waar is je loontje ?

Een kwartier later volgt de sluis van La Motte, waarna Inge het roer overneemt. Wims rust is echter van bijzonder korte duur, want na een minuutje wordt hij ter hulp geroepen door onze stuurvrouw, die paniekerig roept « dat ze op de rotsen gaat botsen, die in het water liggen ». Geen paniek, Inge, op wier kan je niet botsen…Dat onderscheid wordt even later, nabij Sireuil (kilometerpaal 18) pijnlijk duidelijk, wanneer het noodlot toeslaat …

Na er zich luidop over beklaagd te hebben dat het menselijke brein niet in staat is om tegelijk een boot te besturen en een kaart te lezen, ontwaart Inge in de verte witte boeien, die niet op de kaart aangegeven staan. Wanneer Wim antwoordt dat de boeien bewegen en daarom door kenners ook ‘zwanen’ genoemd worden, ruimt de angst plaats voor ongerustheid om de dieren te overvaren.

Wim keert hoofdschuddend weer naar zijn plaatsje bij de achtersteven, waar hij enkele seconden later van zijn stoeltje geworpen wordt door een heftige bonk. Er volgt een aanhoudend snerpend en akelig schurend geluid, dat door merg en been gaat. Wim krabbelt recht en stormt op Inge af, die schreeuwt : « Wat moet ik doen ? Wat moet ik doen ? » Een goed begin zou misschien zijn de nog steeds brullende motor stil te leggen ?! Wim trekt de hendel in ‘hard achteruit’, maar de boot beweegt geen millimeter.

Een lijkbleke Inge duidt voor een vuurrode Wim op de vaarkaart het eiland aan bakboord aan. Inderdaad, aan de andere kant liggen zandbanken, dus we zitten juist ?? Had kunnen zijn, maar het eiland dat onder Inges vingertje verborgen zit, lieten we al wel enkele honderden meters geleden achter ons. DIT eiland moesten we aan stuurboord laten, om niet op de rotsen te lopen. Rotsen ? Rotsen ! ! ! Dat voorspelt niet veel goeds. Het kost Wim een kwartier om door middel van de combinatie van een beurtelings vooruit en achteruit brullende motor en hard links en rechts draaien aan het roer, de boot weer vlot te krijgen.

Tegen de stroom in varen we behoedzaam richting rode boei, door Inge zonet schaamteloos genegeerd. Zij weet bovendien niet of zij de boei rechts of links is gepasseerd : er rest ons dan ook niets anders dan te gokken, en ook daar gaan we feilloos de mist in, of beter een nieuw rotsblok op. In de daarop volgende manoeuvres komen we uiteindelijk dwars op de stroomrichting muurvast te zitten tussen drie rotsblokken. Een akelig gekriep, dat wel recht uit de hel lijkt te komen, siddert doorheen onze Triton. Terwijl Maarten behoorlijk kalm weet te blijven door een grenzeloos vertrouwen in zijn papa, bevindt Inge zich in tussentijd in een lethargische toestand en roept Alexander : « We gaan zinken, wij gaan z-i-n-k-e-n ! ! ».
Als een half uur ploeteren nog geen zoden aan de dijk gebracht heeft, besluit Wim de hulp van de rivier in te roepen door simpelweg te wachten. En inderdaad : de druk van het stromende water tegen de zijromp doet ons na een tiental minuten weer vlotten. Met de achtersteven hard zwenkend sturen we de boeg de ‘poel van onheil’ uit.

Een collega, die ons al die tijd gadegeslagen heeft vanuit de echte vaargeul om eventueel te hulp te schieten, mocht het helemaal fout gaan, zit daar nu met zijn roer klem, zodat hij hulpeloos rond zijn eigen as vaart. Na een paar minuten kan ook hij zich uit zijn benarde positie bevrijden, zodat we onze reis samen kunnen vervolgen. Maar nu de adrenaline in ons bloed wegzakt, zijn onze benen net gigantische elastieken en trillen onze handen oncontroleerbaar. We leggen dan ook maar meteen aan, enkele honderden meters verder.

De reden van het onvoorspelbare gedrag van de Charente, spruit voort uit het feit dat de rivier nooit ‘getemd’ werd door de Nationale overheid, zoals wel het geval is met bv. de wat zuidelijker Baïse in de Gers-streek. Daarom is een gedetailleerde rivierkaart levensnoodzakelijk, want ze geeft alle onder de waterspiegel verborgen obstakels zoals rotsen, zandbanken, muurtjes e.d. nauwkeurig aan. Als je ze goed weet te gebruiken, kan je er ook de keuze van je slaapplaats door laten beïnvloeden, door uit de buurt van spoorlijnen of drukke banen te blijven maar dichtbij een weg die je ‘s morgens bij een bakker kan brengen.

Wim en Inge besluiten zich in de zalige avondzon op het terras over te geven aan de alcohol en knallen meteen een champagnekurk los, gevolgd door o.a. een fles rosé. De kinderen reageren zich af door de boot te kuisen, maar Alexander drijft Maarten haast tot waanzin door zijn gegibber bij het uitkappen van het water. Maarten besluit dan maar ‘te water’ te gaan met zijn knalgele matras en peddelt een hele tijd rond ons bootje, dat gelukkig geen sporen van de aanvaring vertoont (althans niet boven de waterlijn).

Na de maaltijd bij de gezellige olielamp spelen we een – ergerlijk – spelletje ‘Mens-erger-je-niet’. Alexander informeert nu pas « of hij ook kaka mag doen op deze WC ? » En het sanitair onheil slaat voor de tweede avond op rij toe : de spaaractie van de vorige dagen zorgt ook nu weer voor een verrukkelijk aroma, dat we voortaan gemeenzaam met ‘atoombom’ aanduiden. Rond middernacht duiken de volwassenen behoorlijk aangeschoten de kajuit in, waarna Maarten zich de volgende morgen beklaagt over het gegiechel van Inge.

 

Woensdag, 11 augustus

Vandaag slapen we lekker uit. Rond een uur of elf plunderen we de superette van het naburige dorpje en ontbijten we op het terras, wanneer we op de radio toevallig het woord ‘eclips’ horen vallen. Neen toch, is dat vandaag ? In allerijl organiseren we een zoektocht naar onze beschermende brilletjes, zodat we de 92% eclips aanschouwen in al zijn glorie.

Ofschoon de volgende paar kilometers volledig zandbank- en rotsvrij zijn, is het een behoorlijk gestresseerde Inge die ons bootje aan een slakkengangetje naar de sluis van La Liège stuurt (pk20), waar Alexander de boot met beide trossen als een waar Jerommeke tegen de steiger geklemd houdt. De sluis nemen we geroutineerd en ook die van Saint-Simeux en die van Malvy, respectievelijk 1,5 en 2,5 kilometer verder bedienen we fluitend. Bij die van Châteauneuf-sur-Charente staan ons wat kinderen op te wachten om de sluis voor ons te bedienen : wat een luxe voor een beetje zakgeld (10 Franse frank per sluis).

Het binnenvaren loopt de nodige vertraging op, omdat Pietje in het water valt. Het is te zeggen: ‘De Nieuwe Avonturen van Pietje Bell’, die Maarten ontglippen. Wanneer we er met vereende krachten in slagen het drijvende kinderboek na een vijftal minuten op het droge te halen, blijkt het boek binnenin nauwelijks nat te zijn. Maar voortaan prijkt er toch een gerimpeld Pietje Bell in Maartens boekenkast.

In Chateauneuf leggen we aan bij een druk bezette kade, waar we ons waterreservoir van vierhonderd liter vullen en de kinderen de eendjes voeren, vooraleer mekaar te bestoken met hun waterpistolen tot net geen slaande ruzie volgt. Daarna stappen we over het bruggetje naar het centrum, waar de twaalfde-eeuwse Sint-Pieterskerk zijn mooie façade voor ons in petto heeft. Net zoals haast alle andere kerken in deze streek in de typische ‘Saintogne’-stijl, waarbij twee rijenbogen de façade sieren ; komt er nog een derde rij bij, met massieve horizontale onderverdelingen, dan spreekt van de ‘Poitou’-stijl.

Een van de originele eigenschappen van de Romaanse kunst is de vrijheid die de beeldhouwers kregen bij de versiering van o.a. het portaal. Hun verbeeldingskracht schiep denkbeeldige wezens, die niet alleen evangelische taferelen uitbeelden, maar ook onbestaande dieren, hellecreaturen, kindverslindende draken, verminkte vrouwen, voluptueuze sirenes, ... In de Saintogne-streek was het portaal bovendien een educatief stripverhaal, dat antwoord trachtte te geven op de vraag naar de zin van het leven. Je begint bij de scènes van het dagelijkse leven hier op aarde, waarna de grijsaards van de Apocalyps je opwachten ; dan volgt de strijd tussen je zonden en je verdiensten, die je tenslotte leiden naar het eeuwige leven.

Het portaal van de kerk waar we nu voorstaan, is gedecoreerd met de grappigste sculpturen, waarvan er eentje zelfs zijn eigen tenen lijkt op te eten. Binnen kan het gebouw de hooggespannen verwachtingen echter niet inlossen; het stinkt er bovendien vreselijk naar de schimmel, die weelderig op de muren tiert. Een probleem, waar blijkbaar heel wat andere gebouwen op onze vaarroute mee te kampen hebben. Geen wonder, als je bedenkt dat de Charente in de herfst zo aanzwelt dat zij de omliggende landerijen wekenlang overspoelt. Het stadje zelf heeft wat van een vergane glorie, toen hier de enige brug tussen Cognac en Angoulême de Charente overspande en de kasteelheer zich verrijkte door tol te heffen op de passerende schepen, die zout aanvoerden uit de zoutmijnen rond de monding van de rivier.

Al dit architecturaal geweld vraagt ter compensatie om een terrasje in de schaduw, waar we de plaatselijke fauna kunnen bestuderen. Beladen met onze inkopen uit de COOP, trekken we weer naar onze boot, waar we rond een uur of zes afmeren. Dan volgt een uurtje varen, waarbij de rivier haar mooiste mantelpakje aangetrokken heeft: vooral bij Angéac-sur-Charente wordt de omgeving superidyllisch. Na de sluis van Vibrac (alweer met ‘sluiskinderen’) verkiezen we als aanlegplaats voor vannacht toch maar de kade van Saint-Simon boven een romantischer plekje, dat echter geen jaagpad heeft.

Om zeven uur leggen we ons bootje aan de ketting tegen de erg ondiepe kademuur, waarna ieder zowat zijn eigen ding doet : de boot krijgt een grondige poetsbeurt, waarbij Maarten op identiek hetzelfde natte plekje een tweede maal onderuit gaat, wanneer hij uitlegt hoe hij de eerste keer gevallen is. De raampjes van de kajuit worden afgeplakt met muggengaas en de rubberboot wordt opgeblazen. Inge van haar kant beleeft culinair-orgastische momenten bij het verorberen van een dubbele portie geitenkaas met rode wijn. Ook later die avond wordt het bij het licht van onze olielamp reuzelgezellig onder de donkere paardekastanjes van de kade en tegenover de ritselende populieren van de andere oever.

Na het avondmaal (kip met rijst en perzik) en de inmiddels gebruikelijke ronde ‘Mens-erger-je-niet’ leggen we ons te ruste. Maarten verblijdt in bed de arachnofobe Alexander nog even met de koele mededeling dat er twee spinnen over zijn wang lopen, waarna deze laatste zo ongeveer tot tegen het plafond springt. Maarten zet de spinnen overboord, iets wat voortaan zijn dagvullende taak wordt, hiertoe genoopt door een combinatie van drie spinnenhaters en een erg spinnenrijke zomer.

 

Donderdag, 12 augustus

Al rond een uur of acht wakker, trekken Wim en Inge er op uit om brood te halen. Dat blijkt echter minder eenvoudig dan verwacht, want op een vermolmd bord voor de kerk staat te lezen dat de rijdende bakker vandaag om exact 12h15 zal passeren. We laten het echter niet aan ons hartje komen en Inge vervolgt haar weg naar de kade onder het zingen van het bekende staplied (sic) « dag wereld, dag mensen, dag vrienden allemaal ». Het feit dat zij niet verder geraakt dan het volgende halve zinnetje (« we zijn hier nu te samen… »), de afwezigheid van het zingen in enige toonaard en de aanwezigheid van alternerend ontblote lichaamsdelen, maken dat het dorpje die dag iets brutaler wakker schiet dan anders.

Na het ‘corn flakes’ ontbijt, neemt Inge de gelegenheid te baat om haar haren onder een kraantje op de kademuur te wassen. Want onze douche is die naam zelfs niet waardig : je moet al over het nodige psychische evenwicht beschikken om niet knettergek te worden van de drup waarmee het water door de waterpomp op je lichaam ‘gestraald’ wordt. Eigenaardig, want de keukenkraan werkt wel perfect (maar daaronder kan je bezwaarlijk plaatsnemen voor een douche).

We geloven ons reisgidsje, dat vertelt dat Saint-Simon allesbehalve het onbelangrijke dorpje is, waarvoor het op eerste zicht zou doorgaan. Van de middeleeuwen tot aan de tweede wereldoorlog was dit immers hét centrum van de scheepvaart op de Charente. Er waren niet minder dan drie scheepswerven en talrijke rustplaatsen voor de ‘gabariers’ (aakschippers), die met hun platbodems zout, hout, wijn en later ook Cognac af- en aanvoerden.

Een bewegwijzerde route voert je voorbij een huis uit 1602 dat aan een timmerman (of ‘kalfateraar’) toebehoorde. Getuige hiervan zijn de hamer en de beitel in het deurfronton : blijkt dat de aken hier, pal voor zijn deur, ineengetimmerd werden om daarna naar de rivier te worden gesleept !

Het vredige dorpje wordt opgeschrikt door een continu toeterende oude Citroën, die met de schroeven bijeengehouden wordt. Het blijkt onze ‘vliegende’ bakker te zijn, die besloot vandaag het dorp enkele uurtjes vroeger aan te doen. Hij scheurt eigenlijk zomaar wat op goed geluk rond en stopt daar waar de mensen hem teken doen. Inge weet hem zo te overmeesteren en onze rugzak wordt gevuld met drie stokbroden.

De wandelroute voert ons vervolgens langs het kerkhof met zijn met nautische symbolen versierde graven, weer naar de lange kade, waar het nog niet zo gek lang geleden een drukte van jewelste was …

Het is Inge die de boot Saint-Simon uitvaart, op weg naar de sluis van Juac (pk34), onwetend van de val die haar voorbereid werd. Bij de aanlegsteiger voor de sluis springt Wim snel aan wal om de sluis samen met Maarten te openen. Het is pas als de sluisdeuren openzwaaien, dat Inges Franse frankse valt : zij zal nu voor de eerste keer zelf de boot de sluis moeten invaren ! ! Maar ze geeft geen krimp en stuurt beheerst de Triton naar de sluismuur; zij heeft de smaak nu te pakken en draait haar hand niet om voor het uitvaren en het aanleggen bij de steiger stroomafwaarts, wachtend op degenen die de sluis achter haar sluiten.

En verder gaat de reis naar de drie kilometer lager gelegen sluis van Saintonge, waarvan we de sluisdeuren voor onze neus zien toezwaaien. Met de verrekijker ontwaren we een klein overleg voor het voormalige sluiswachterhuis, waarna de deuren weer opengaan. Daar blijft het niet bij : de vrouwen van deze Duitse collegae staan er bovendien op de schotten en deuren zelf open te draaien. Ze doen dit bovendien in BH-loze T-shirts, zodat het hier behoorlijk begint te swingen. Helaas voor Wim oefende de zwaartekracht in de voorgaande jaren al zijn vernietigende kracht uit…

Inge luiert aan dek wat in de zon en Maarten en Alexander schrijven hun postkaartjes. Beider geschrift is zo slecht, dat het getril van de motor er niet veel meer toe doet. Wim concentreert zich inmiddels, want over een afstand van een kilometer is de rivier aan de linkeroever behoorlijk verzandt : de vaargids vermeldt voor deze strook ‘varen op 5 meter van de rechteroever’, terwijl de rivier hier een veertigtal meter breed is !

De sluis van Gondeville (pk40), de twaalfde van deze reis, duiken we met twee boten in, zodat wij niet hoeven te openen en zij niet hoeven te sluiten. Nu volgt een prachtig bochtig stuk met laag overhangende bomen, die het wateroppervlak verduisteren, zodat zelfs het wier hier niet groeit.

Maar daar is al de sluis van Jarnac, waar net een oudere fietstoerist tegen de vlakte is gegaan. De man heeft een open beenbreuk en wordt even later met de ambulance afgevoerd, zodat zijn lijden niet meer kan verzacht worden door Inge die de sluis in bikini bedient. Helaas werd hier geen ponton voorzien, zodat ze bij het uitvaren van de sluiswal op het dak van de boot moet springen, een afstand van nog geen metertje. Dat durft ze echter niet, zodat Wim haar noodgedwongen moet achterlaten. Er rest haar dan ook niets anders dan – in bikini – via het centrum van Jarnac de boot langs de kade te volgen. Bekijks heeft ze genoeg en hulp krijgt ze aangeboden van een andere boot en van een jongeman op een snorfiets.

Een ‘gendarme’ verbiedt ons aan te leggen bij het stadscentrum van Jarnac, omdat de kade daar omgebouwd werd tot een negentiende-eeuwse filmset, waar dadelijk de opnames van start gaan. Een wandelingetje leidt ons doorheen de geboortestad van president Mitterand, dat goed boert door zijn grote cognacpakhuizen. Nauwelijks 5000 inwoners, maar wel de grote cognacmerken Royer, Hine en Courvoisier ! Het is bij deze laatste dat we ons laten rondleiden, de ‘cognac van Napoleon’. De keizer verleende die titel, na een bezoek in 1811 en zijn schim waart er nog steeds rond in de vorm van zijn beroemde hoed, een haarlok en een herenvest mèt drie ontbrekende knopen (zodat hij zijn hand ertussen kon steken).

Cognac zelf wordt geboren uit eenvoudige witte wijnen, die na de gisting gedestilleerd worden in koperen alambics, zodat de ‘brouillis’ ontstaat met een alcoholgraad van 30%. Die wordt dan een tweede keer gedestilleerd (‘la bonne chauffe’), waarbij de ‘kop’ en de ‘staart’ van het destillaat weggeworpen worden. Enkel het ‘hart’ van 60 tot 70 alcoholgraden wordt weerhouden voor het lange verouderingsproces. Het zijn de eikenhouten vaten uit Limousin en Berry die met hun vezels de oxidatie van het kleurloze en nagenoeg reukloze ‘levenswater’ in de hand zullen werken. Zo ontstaat na vele jaren de amberkleurige godendrank, waarvan jaarlijks twee tot drie procent door verdamping verloren gegaan is. Dat deel wordt poëtisch het ’deel voor de engelen’ genoemd en is equivalent aan ongeveer 12 miljoen flessen. Zucht…

Na vele jaren in de donkere kelders te hebben liggen rijpen, worden de vaten een of voor een aangesproken, om door de ‘maître’ gemengd te worden. Zijn door tientallen jaren geoefende reuk- en smaakzin stellen hem in staat om, met behulp van continu veranderende voorraden, te komen tot een gebalanceerde samenstelling, die voor de grote cognachuizen nooit verandert. Hiertoe zijn soms mengelingen van wel veertig cognacsoorten nodig. De cognacs van de kleinere huizen kunnen iets meer variëren in smaak.

Door het mengproces is het onmogelijk aan de cognac een ‘millésime’ toe te kennen. De kwaliteit wordt daarom gewaarborgd door de leeftijd van de jongste cognac, die gebruikt werd in de mengeling. De klassering loopt zo van ‘VS’ (= ‘XXX’) over ‘VSOP’ (= ‘VO’ = ‘réserve’) tot XO (= ‘Napoléon’, ‘extra’ of ‘hors d’âge). De bij wet bepaalde minimumleeftijden voor deze klassen bedragen respectievelijk minder dan vier jaar, tussen vier en zes jaar, en meer dan zes jaar. Maar elk zichzelf respecterend cognachuis zal deze minimumleeftijden ruimschoots overschrijden met zes tot twaalf jaar voor de VSOP en 20 jaar voor de XO !!!

Een wetenswaardigheid is dat cognac eigenlijk het resultaat is van winstbejag. En wie komt dan ook niet geheel onverwacht op de proppen in dat verhaal ? Inderdaad : de zeventiende-eeuwse Hollandse kooplui, die veel winst verloren zagen gaan bij het transport over het water van de vele vaten wijn. Zij besloten daarom de wijn te ‘branden’ (vanwaar ‘brandewijn’, door de Engelse kooplui verbasterd tot ‘brandy’ en in het Frans binnengesmokkeld als ‘brandevin’). Het destillaat nam immers maar 15% van de originele wijn in. De Charente was voor het transport van cruciaal belang, zodat de brandewijn al snel ‘cognac’ gedoopt werd naar de rivierhaven waar de brandewijn opgeslagen lag en geladen werd.

Het interessante bezoek aan dit cognachuis wordt afgesloten met enkele flesjes gratis cognac en een receptenboekje. Want de inwoners van de streek drinken hun ‘gewone’ cognacs (xxx) vaak als longdrink aangelengd met Canada dry, spuitwater of Tonic !

De rest van de namiddag is lekker lui. Inge doezelt op de voorplecht even weg in de zon, tot zij een ijskoude douche krijgt. Het duo Maarten-met-de-waterspuit en Wim-met-de-camera slaat toe ! ! !

Rond zessen krassen we op en anderhalf uur rustig varen brengt ons twee ‘bemande’ sluizen en elf kilometer lager tot bij Port-Boutiers. Daar ontwaren we zowaar een luxe vlottende aanlegsteiger, die we wel moeten bereiken via een geul doorheen een met rotsen en zandbanken bezaaid rivierstuk. Maar dit is een ronduit prachtige aanlegplaats ‘in the middle of nowhere’, waar Maarten onmiddellijk op zijn luchtmatras springt en Alexander de verrichtingen van Inge aan haar gasfornuisje nauwlettend in het oog houdt en van de nodige commentaar voorziet. Wim murwt zich intussen in de WC, een schoendoos van een zeventigtal centimeter breed en een maximale hoogte van een meter zeventig. Onze badkamer heeft, in verhouding tot de WC, dan ook royale afmetingen. Helaas moet Wim ook hier regelmatig met een schoenlepel en een potje vaseline uit bevrijd worden. Later die avond volgt tenslotte het obligate spelletje ‘mens-erger-je’, verzacht met een proeverij van de gekregen Cognacs aangelengd met Canada Dry : lekker !

 

Vrijdag, 13 augustus

In de paradijselijke stilte worden we pas om een uur of tien wakker, waarna we met de fiets naar het dorpje rijden in een aangename temperatuur van zo’n 25°. Helaas vermelden de borden weer klinkklare onzin, want daar is géén kruidenier, laat staan een bakker. Bovendien slaan we de verkeerde richting in, waarbij we hardleers ondervinden dat Boutiers-Saint-Trojan niet gelijk is aan Saint-Trojan, dat wel gelukkig wat lommer biedt op het pleintje bij zijn eenvoudig Romaans kerkje. Een uur fietsen later staan we dan ook weer bij ons ponton, waar we noodgedwongen in de schaduw van het overdekte terras ‘brunchen’ met ‘corn flakes’.

Op het middaguur vermeien we ons wat op en in het kristalheldere water, dat hier ook bevolkt wordt door wel miljoenen vissen. Kort na de middag gooien we de touwen los en komen een kwartiertje later al bij de sluis van Cognac, waar net een andere boot de sluiskom uitvaart, zodat Inge ongestoord kan binnenvaren. We besluiten Cognac voor de terugreis te bewaren en stomen door naar de tien minuten verder gelegen gigantische supermarkt, voorzien van een klein poortje achteraan de parking dat uitgeeft op onze aanlegplaats. Het winkelkarretje wordt door Alexander tot daar gebold, waarna een korte menselijke ketting de etenswaren aan boord brengt.

Aan de zeventiende sluis op onze route, die van Crouin (pk 62) bevestigt Inge haar springangst, zodat ze aan boord moet geholpen worden via en andere boot, die achter de sluis ligt te wachten. Nu volgt een stuk van bijna twintig kilometer zonder een enkele sluis, waar we een zigzagkoers volgen, omdat Wim danig afgeleid is door Inge die topless zont op het voordek, hiermee het uitzicht verrijkend met twee heuvels.

Om vijf uur varen we voorbij de gracht die het departement ‘Charente’ scheidt van ‘Charente Maritime’ en geleidelijk aan ruimen de oevers meer en meer plaats voor weidse vergezichten over de laaggelegen weiden en akkers. Hier vindt zowaar ons eerste inhaalmanoeuvre plaats : we ‘racen’ een iets tragere collega voorbij, waarvoor we wel ruim een kilometer nodig hebben … Het is hier overigens zorgeloos varen in de benedenloop van de rivier, waar het debiet hoog genoeg is om zandbanken te voorkomen en er geen rotsige ondergrond meer is.

Zo tuffen we, rustend, lezend, zonnend en luierend rustig door tot bij Dompierre-sur-Charente. Hier is het een kwartiertje wachten op de ‘overzetbak’, die extra druk bezig is auto’s over te zetten, omdat de dichtstbijzijnde brug voor onderhoudswerken gesloten is. We leggen aan bij een boompje in een scherpe rivierbocht bij kilometerpaal 12 (de nummering herstartte bij de grens tussen de twee departementen).

Ook hier scherpt een frisse duik de appetijt aan. Helaas loopt het avondmaal aanzienlijke vertraging op, omdat Inge er niet in slaagt weer op de boot te klimmen. Het wordt een vaudeville van een beurtelings op, naast en onder haar luchtmatras spartelende vrouw in gestreepte bikini, die haast wanhopig het lijf uit de rivier probeert te hijsen. Het spreekt voor zich dat Wim er de voorkeur aan geeft enige mooie kiekjes te schieten in plaats van haar de helpende hand te reiken. Maar goed, enkele uren later kan Inge dan toch eindelijk opdrogen terwijl ze het avondmaal bereidt. Het wordt pompoensoep-uit-een-doosje, gevolgd door biefstuk met puree. Dit alles wordt overgoten door een ‘Pinot Noir’ en gevolgd door een zalige ‘Muscat-de-Rivesaltes’. Het traditionele gezelschapsspelletje met een grienende Maarten en een afgeleide Alexander wordt zo toch een beetje draaglijker.

Tegen middernacht zitten we nog steeds op het terras, bij een inmiddels gedoofde olielamp, naar de vallende sterren te kijken, die je in deze periode van het jaar vaak te zien krijgt. We maken telkens de nodige hartenwensen en luisteren naar Alexander die ons onderhoudt over de planeten ‘Maes en Jupiler’.

 

Zaterdag, 14 augustus

We worden wakker onder een bewolkte hemel, maar de temperatuur blijft aangenaam. Het ontbijt valt die morgen (letterlijk) in het water als de croissants uit blik door onze te hete gasoven in een mum van tijd voor consumptie ongeschikt worden gemaakt, zodat enkel de visjes er nog mee kunnen blij gemaakt worden (en dan nog, we vroegen hen niet echt om hun mening).

Ons bootje wordt onderworpen aan een grote schoonmaak, want de rommel puilt uit elke kier. Gelukkig is er dat extra, onbenutte bed in de kajuit, dat als stapelplaats dient voor de vier zakken, die elk de vestimentaire voorraad van één bemanningslid bevatten, aangevuld door een -extra grote- vijfde waar iedereens vuile was een gezamenlijk onderkomen in vindt.

Kort voor de middag gaan we weer op weg, waarna Inge zich ruim een uur lang beklaagt over de oven, die maar blijft hitte afgeven, tot Wim ontdekt dat die nog steeds aanstaat. De sluis La Baine (pk15) is de laatste van de heenreis : ze scheidt ons van 34 sluisloze kilometers tot aan de laatste sluis in Saint-Savinien, die de Charente tegen de zee beschermt. Nochtans doen reeds vanaf hier eb en vloed zich voelen, zodat je de touwen bij het aanmeren voor de nacht niet te strak mag aantrekken, of je zou je boot op het droge trekken bij eb. La Baine zelf heeft een miezerig vervalletje van een dertigtal centimeter en is de enige automatische sluis op ons traject : 1 simpele hendeldraai volstaan om de sluiscyclus in beweging te zetten. Wat een luxe ! Aan de kant zijn de kaapstaanders, een soort van windas, nog getuige van vroegere tijden, toen de sluiswachter de poorten opende door een touw rond de verticale as te draaien.

Het is nog even wachten bij de overzetbak van Chaniers, vooraleer we kunnen aanleggen aan de kade van het dorpje, waar we afspraak hebben met een technicus van onze rederij voor een tussentijds onderhoud. De brave man merkt niets van de averij, die we ongetwijfeld moeten hebben opgelopen bij onze aanvaring van enkele dagen geleden en vult netjes het oliepeil en de dieselvoorraad aan. We krijgen ook een spuitbus om de spinnen te elimineren, waar alle toeristen dit jaar zo over klagen. Dat wij daar nu nog niets van gemerkt hebben ! We verzengen de Triton 860 van het dodelijke spul en trekken even het dorpje in, terwijl de mieren vallen als vliegen (jaja beste lezer, het regent hier fijne woordspelingen). Het kerkje is aardig en voorzien van een aangebouwde borstwering, die stamt uit de honderdjarige oorlog, toen de kerken dienst deden als burcht.

Kort nadat we om twee uur afvaren, zwelt de motregen geleidelijk aan tot een van het striemende soort, die ons de rest van de dag zal blijven teisteren. Enkele kilometers lager leggen we aan bij de vlottende steigers nabij het stadspark van Saintes, die je bij aankomst al meteen confronteert met haar Romeinse verleden in de vorm van de triomfboog van Germanicus. Die werd in het jaar 19 aangelegd door een rijke ingezetene, maar langzaam maar zeker bedreigd door de rivier, wiens bedding zich verplaatste. De stedelingen besloten in 1843 dan maar boudweg het hele zaakje te slopen. Van dit voornemen konden zij slechts met de grootste moeite afgebracht worden en tenslotte stemden zij in met de afbraak en heropbouw een eindje verder. De schitterende en, na 1800 jaar intensief gebruik, nog volledig intacte Romeinse brug verdween echter wel voorgoed …

We trekken in de aanhoudende regen de stad in, waar we de aan de buitenkant wat luguber aandoende Sint-Pieterskerk bezoeken en dan de wandelweg naar de Sint-Eutropiuskerk volgen. Die werd blijkbaar door een overijverige stadsgids uitgestippeld, want we worden door berg en dal (klinkt daar geen hoorngeschal?) door de op een aantal heuvels gebouwde binnenstad geleid. Op de terugweg blijkt het gewandelde traject van een half uur equivalent aan die van een vijf minuten durende wandeling langs de boulevard.

Maar goed, we geraken uiteindelijk toch in de Sint-Eutropiuskerk. Of correcter: ‘kerken’, want er werden twee heiligdommen pal boven elkaar gebouwd. De donkere en vochtige krocht onderin, eufemistisch ‘crypte’ genoemd, was voor de pelgrims op weg naar Compostella, zodat de erediensten in de bovenkerk hier geen hinder van ondervonden. Maar ere wat ere toekomt : Het in schijnwerpers badende koor van de crypte, met centraal de tombe van de heilige Eutroop, die in de vierde eeuw het loodje legde, lijkt wel een magisch oord. Van de bovenkerk werd in de negentiende eeuw het schip afgebroken, zodat de torenspits sindsdien boven een tot koor en transept geamputeerde kerk naar de hemel reikt.

Even verder wacht het amfitheater ons op, tegen een rotsachtige heuvel op de linkeroever van de Charente aangebouwd. Het behoort tot het oudste van het Romeinse Rijk en bood met zijn capaciteit van vijftienduizend zitjes plaats aan alle inwoners. Omdat het echter buiten de stadsmuren lag, heeft het de tand des tijds niet doorstaan zoals wel het geval is te Nîmes, dat erbinnen lag. Hierdoor was dit laatste een veilige plaats voor de 2000 armen, die het in de Middeleeuwen bevolkten. Intussen diende de arena van Saintes als goedkope steengroeve, waarmee vele huizen van de stad opgetrokken werden. Sinds enkele jaren herleeft het twintig eeuwen oude theater weer door het klank- en lichtspel dat er elke zomeravond gehouden wordt. Leuk initiatief, waarvan de technische installatie er echter de oorzaak van is dat wij de toegang ontzegd worden tot de site.

Dan maar weer de heuvel af – ditmaal langs niet-bewegwijzerde maar wel geplaveide wegen – naar het winkelcentrum, waar we in de plenzende regen dwalen door de gezellige straatjes. We hebben nu trouwens ook al onze bekomst van het stadsleven en haasten ons naar de rust van de rivier, waar Inge ons met een sierlijk duwtje tegen de boeg uit het rijtje boten duwt.

Nu pas blijkt hoe ridicuul het ruitenwissertje op de voorruit wel is. Niet alleen is het minuscuul (ongeveer 20 cm lang), maar moet het met behulp van een piepklein hendeltje met de hand bewogen worden, zodat na enkele zwiepjes de rubbers al doorheen het luchtruim vliegen. Ach wat, het stond zelfs niet in het gezichtsveld van de stuurman … Vervelender is dat alle ruiten in een mum van tijd aanslaan, zodat Wim maar weer het roer overneemt, om verlost te zijn van het gejammer van Inge. Maar het is hier gemakkelijk varen, zonder enige zandbank en bij het hoog boven de rivier uittorende kasteel van Bussac vallen zowaar de laatste druppels.

Na een uurtje varen leggen we aan nabij een gehuchtje van Saint-Vaize, waar de Charente over een enkele kilometer met een scherpe bocht wegvlucht van de spoorweg, die haar al sinds enkele kilometers opvrijt aan de rechteroever. We twijfelen nog even tussen een vlakke aanlegplaats aan die oever en een ietwat ruwere aan de andere kant, die we uiteindelijk intuïtief verkiezen. Gelukkig maar, want bij het ontwaken de volgende morgen blijkt het de plaats waar een meute koeien zich komt laven aan het rivierwater ! ! !

 

Zondag, 15 augustus

Een bootje veroorzaakt rond de klok van tien wat deining, die ons uit onze dromen schudt. Voor Wim heeft de ochtendstond bitter weinig goud in de mond na een nacht lang geplaagd te zijn door gastro-intestinale problemen, wat niet aan te raden valt op ons smurfentoilet. We worden dan ook rustig wakker onder een blauwe hemel met een gouden zonnetje, dat de herinneringen aan de regen van gisteren snel verjaagt. Het ontbijt bestaat uit corn flakes, want de oever is te ruw om er met behulp van de loopplank de fietsen naartoe te hijsen.

 We besluiten er een uitgesproken lui dagje van te maken, en zonnen of dobberen wat rond op een luchtmatras of in de rubberboot. Die scheurt echter weer open op de plaats waar hij in een ver verleden eens op de mosselbanken is gelopen. Hij zal de rest van de reis halsstarrig weerstand bieden aan elke poging om hem met behulp van een waar arsenaal van diverse lijmsoorten weer opblaasbaar te krijgen. Hij reist voortaan levensmoe op het dak mee, waar hij nog dienst doet als comfortabel zitje voor de stripverhalen verslindende kinderen.

In de late namiddag eten we een soepje met wat stokbrood van gisteren, waarna Maarten ons naar Taillebourg vaart, een dorpje waar in 1242 op de linkeroever een beslissende veldslag in de Honderdjarige Oorlog tussen Fransen en Engelsen uitgevochten werd. Koning Lodewijk IX won die overigens, zodat Koning Hendrik III zich spoorslags uit te voeten moest maken naar zijn bastion in Bordeaux.

We leggen aan bij de lange kade, geflankeerd door de spoorweg, die echter mooi gecamoufleerd wordt door de op de oever goed gedijende bomen. Een wandeling brengt ons naar de schaarse overblijfselen van wat eens een schitterend kasteel is geweest. Zo mooi dat Koning Lodewijk de zevende en zijn Eleonora van Aquitanië (heb dat op je naamkaartje staan !) er hun huwelijksnacht doorbrachten. Haar – ondankbare – zoon Richard Leeuwenhart maakte het echter in 1179 met de grond gelijk in de voortdurende strijd tussen Engelsen en Fransen. Wat rest is echter het grote terras, vanwaar je een magnifiek uitzicht hebt op de vallei van de Charente.

Rond acht uur verlaten we de erg levendige kade, waar oude mannetjes ‘Jeu de boules’ spelen, families picknicken, koppels flirten en honden achter een stok aan het water in geloodst worden. We vertragen regelmatig om te vermijden dat de kapiteins-voor-een-dag niet met man en muis zouden vergaan wanneer hun minuscule elektrisch aangedreven bootjes te veel deining zouden krijgen in ons vaarwater, en we de zeven bijeengepakte familieleden ook nog uit het water zouden moeten vissen. Waterskiërs, getrokken door een speedboot in de afgebakende ‘bassins de vitesse’ negeren we echter straal, zolang zij met hun rumoer onze glazen uit de kast doen bonken.

Het is aan zoetwatermatroos Alexander om het roer over te nemen, wanneer Wim de andere nietsvermoedende opvarenden verblijdt met het bericht dat de oorzaak van de geurhinder van vorige nacht vooralsnog niet schijnt te reageren op de symptomatische therapie van wat wel een tiental Imodiums moeten zijn. Altijd leuk om hem in allerijl naar de luciferdoos van een toilet zien te stormen, waar hij zich in de gang van broek en/of zwembroek moet ontdoen, alvorens zich in het kleinste kamertje zelf te kunnen wurmen, om er enkele minuten later geheel bezweet weer uit te vallen en zich in de kajuit weer van zijn kledingsstukken te voorzien.

Een kilometertje of twee verder leggen we aan in Port-d’Envaux, een aangename stopplaats, waar de tuinen van de herenhuizen langzaam aflopen naar de rivieroever en het leven zijn rustige gangetje gaat. De kinderen houden het na een paar minuten wel voor bekeken in het ‘would-be’ speeltuintje en tarten in de avondzon even het noodlot op een springplank. Dit dorpje is de plaats van afspraak met de eigenaar van onze boot, die ons inderdaad plichtsgetrouw achterna gereisd is met een laddertje, zodat Inge zich voortaan op een iets elegantere wijze uit het water kan hijsen. Intussen hebben we een koppel hotdogs ‘uit het vuistje’ achter de kiezen en om negen uur kiezen we weer het sop op zoek naar een slaapplaats nabij kilometerpaal 46, waarlangs we ‘s morgens met de fiets een bakker kunnen bereiken.

Bij valavond varen we door een absoluut adembenemend en feeëriek landschap, waar water en lucht mekaars spiegelbeeld zijn. Tegen een zachtjes opzettende vloed in, die het water inlands stuwt, leggen we aan bij een verlaten kampeerplaats, waar de kinderen zich overgeven aan een robbertje zwaardvechten met takken. Wij binden de touwen losjes aan dezelfde boom, zodat we ongestoord kunnen genieten van het traditionele spelletje ‘Mens-erger-je-niet’, ‘Pinot Noir’ en een verkwikkende nachtrust.

 

Maandag, 16 augustus

Vandaag is het de beurt aan Inge om met een houten kop wakker te worden, nadat ze de ganse nacht in een onrustige slaap heeft liggen woelen. Oorzaak hiervan is Wim, die in het holst van de nacht de touwen ging controleren, nadat hij een onheilspellend gekraak gehoord had. Wat Inge toen niet wist, was dat hij aan het slaapwandelen was, zodat hijzelf er zich ‘s morgens niets meer van herinnert. Maarten en Wim gaan met de fiets om brood. Wim trapt noodgedwongen op Inges fiets, want zijn ventiel (het is te zeggen, dat van zijn fiets) is afgebroken. Daarom zetten we maar onmiddellijk koers naar Saint-Savinien.

Het middeleeuwse centrum van Saint-Savinien met zijn (muffe, want beschimmelde) Romaanse kerkje ligt hoog boven een bocht van de Charente tegen een heuveltje aan genesteld. De mooie drijvende aanlegsteigers liggen echter net voor het stadje, zodat je je tussen een wei met grazende koeien een weg moet banen naar de asfaltweg op enkele meters van de rechteroever. Meters die gebruikt worden als piepklein tuintje of terras door de bewoners van de aan de overzijde van de weg gelegen huizen.

We hebben echter wel wat anders aan het hoofd: de erg behulpzame mensen van de toeristische dienst wijzen ons de weg naar de enige fietshandelaar. Hun vraag of we met de auto zijn, doet enige bange vermoedens rijzen omtrent de afgelegen ligging van de winkel; vermoedens die een uurtje later inderdaad onderbouwd worden door vier paar afgesleten schoenzolen. Maar goed, gewapend met een nieuwe binnenband slepen we ons weer naar het centrum, waar een pintje in de schaduw van de Vleeshallen ons bij positieven brengt.

De kinderen worden vandaag verwend omdat zij mogen waterfietsen, waarbij Alexander (verplicht gehuld in een zwemvest) zich krampachtig aan zijn stoeltje vastklemt en Maarten niet van commentaar ontziet bij elk onverwacht manoeuver. Wim wordt intussen naar een zonnebloemenveld gegidst door Inge. Daarna mogen de kinderen hun hartje verder ophalen in de miniatuurhaven, waar ze zich kapitein wanen van de ronduit schitterende miniatuurscheepjes.

Rond vijf uur keren we Saint-Savinien de rug toe en laten we de stormkering mèt sluis die ons scheidt van de zee dertig kilometer verderop achter ons.

Een half uur later leggen we op identiek dezelfde plaats als vannacht aan, waar we ons voor het eerst eens niet storen aan een van de talrijke vissers, die wel een complot schijnen te smeden, door steeds net daar hun lijn uit te werpen, waar wij willen aanleggen. Maar goed, ditmaal laten we ons dus niet de kaas van het brood eten en met loeiende motor verjagen we elke vis, zodat de man zijn visstek noodgedwongen een paar tientallen meter verlegt. Zijn vrouw wacht al die tijd geduldig in de auto. Is zij niet geëmancipeerd of is hij niet te betrouwen? We krijgen een voorzichtig antwoord, wanneer zijn sombere gezicht lijkt op te klaren als Inge de door Wim gerepareerde band in bikini oppompt. Even later verlaat het echtpaar zwijgend de plaats des onheils …

Alle fietsen zijn nu weer bruikbaar en we klimmen naar Crazannes, waar we net op tijd onze vehikels tegen de muur van het kasteel gooien om nog aan te sluiten bij het laatste geleide bezoek van vandaag. En dat is allerminst een tegenvaller: ondanks zijn bonte architectuur met een kapel, een donjon met gracht uit de tiende eeuw en een residentie met ronde toren uit de veertiende eeuw, ontstaat een harmonieus geheel, dat overigens model stond voor het kasteel in het sprookje van Repelsteeltje.

Ook de benedenverdieping kan bezocht worden en spreekt tot de verbeelding van jonkvrouwen met ruisende gewaden, hoge steekhoeden en hijgende boezem. Romantische Inge loopt op wolkjes en ziet zichzelf al de massieve houten trap afrennen om in de armen te vallen van haar ridder met zijn witte schimmel(-paard).

Indrukwekkend is ook de gigantische duiventil met een paar duizend hokjes. De gids vertelt ons dat aan dit aantal een schatting kan gemaakt worden van de grootte van het kasteelgoed, omdat dat moest kunnen volstaan om alle duiven voldoende eten te geven. Het duivenrecht was dan ook strikt voorbehouden aan een selecte groep van edelen. De huidige kasteelheer draagt de naam ‘Rochefort’, echter niet naar de nabijgelegen grootstad, maar naar de Belgische kleine broer !!

We zetten onze fietstocht door de zonnebloemvelden verder naar de steengroeven van Crazannes, waar een helder en bovendien gratis museum gebouwd werd nabij een ‘aire de repos’ van de autosnelweg. We poseren even als standbeeld op de typische witsteen, die de unieke eigenschappen van hoge duurzaamheid en gemakkelijke bewerkelijkheid in zich verenigt. De hier gehouwen blokken werden met paard en kar naar de Charente gevoerd, vanwaar ze per schip vertrokken naar alle delen van de wereld voor onder andere de sokkel van het Vrijheidsstandbeeld en voor het Witte Huis in Washington.

Alexander watert achter een struikje ; een manoeuvre waarbij hij nogal eens zijn kroonjuwelen te snel durft in te pakken. Wim geeft hem de gouden raad ‘om zijn piemeltje te laten aflikken voor hij het weer in zijn broek steekt’. Tja, hij bedoelde eigenlijk ‘aflekken’. Hopelijk voeren zijn kinderen zijn aanmaning in de toekomst niet letterlijk uit.

Het gaat nu lekker bergaf naar de bakker in Crazannes, waar we stokbroden kopen voor bij de ravioli straks. Nog even genieten van de avondzon, een kort (want fris) duikje in de rivier en het bijwonen van een gratis concert, uitgevoerd door de kinderen op de bekende slaginstrumenten ‘stam’ en ‘tak’. Vandaag liggen we al om tien uur in ons bedje.

 

Dinsdag, 17 augustus

We namen de nodige voorzorgen opdat de kinderen ‘s morgens in alle vroegte naar de bakker konden rijden: een ‘post-it’ met daarop ’2 pains s.v.p.’ tezamen met 20 Franse Frank werden op Maartens jas geklemd met een wasspeld. Maar vanmorgen staat hij er nog geen vijf minuten later weer : hij is er toch nog in geslaagd briefje én geld te vergeten.

We meren om tien uur af tezamen met een reiger, die klapwiekend voor ons opstijgt. Hij kent ongetwijfeld de rij vierkante netten, die verticaal in het water gelaten worden om er paling mee te vangen. Dat beestje wordt op vijfhonderd meter diepte in de Saragossa-zee geboren en laat zich over een tot twee jaar door de golfstroom meedragen naar de Charente-kusten. Daar klimt de vis tegen de stroom in, wordt geelachtig van kleur en leeft er tot acht jaar in zoet water. Tenslotte kleurt hij zilvergrijs, daalt de rivier af, zwemt de oceaan over naar de Saragossa-zee, legt daar eieren en sterft van uitputting. Van een globetrotter gesproken.

Vandaag zal het de hele dag bewolkt blijven met nochtans aangename temperaturen (door kenners ter zake ook ‘tee-shirt weer’ geheten. We varen het kasteel van Panloy voorbij : het lijkt veel te koel en te afstandelijk in vergelijking met het pareltje van gisteren. We leggen weer aan in Taillebourg, waarbij Alexander zijn sandaal in het water laat plonzen, die gelukkig blijft drijven of hij had de reis kunnen uithinken. Er zijn hier zowaar wasbakken, waar Inge handdoeken en shorts gaat uitspoelen. Wanneer we tegen de middag aan weer vertrekken, lijkt onze boot, behangen met kilo’s drogende was, dan ook een varende ‘3 Suisses’ catalogus. Gelukkig hebben we onderbroekjes genoeg bij.

Inge stuurt nu terwijl Wim, met de voeten over de spits bengelend, foto’s neemt van het landschap. Zo bereiken we kort na de middag Saintes, waar we nog één vrij plaatsje vinden op het einde van het ponton, want het is hoog tijd om onze watervoorraad aan te vullen.

Voorbij de stad nemen Maarten en Alexander het roer over, waarbij ze behendig vissers ontwijken en beleefd vertragen bij het kruisen van sloepjes of kanovaarders. Vooral die laatsten zwaaien telkens uitbundig naar de attente schipper, omdat hen dat behoorlijk wat hooswerk bespaart.

Rond drie uur leggen we aan bij kilometerpaal 18 en wuiven naar de passagiersboot uit Saintes, afgeladen vol met eendagstoeristen. Maarten is zo uitgelaten dat hij verkeerd van de kant afzet en naast de boot springt, waarbij zijn uitgestoken handen aan de boordplank hem nog net kunnen behoeden voor een volledig bad.

Enkele kilometers verder wacht de eerste sluis stroomopwaarts, ‘La Baine’, waar een herdenkingsplaat de waterstand aangeeft bij de overstroming van 1981 : een goede twee-en-een-halve meter boven het huidige waterniveau. Inge kruist de overzetbak van Chaniers en houdt haar ogen daarna in extreme concentratie gefocust op die van Dompierre. Hierdoor ziet ze helaas de jongeman niet, wiens vislijntje ze oppikt. Zijn molentje ratelt dat het een lieve lust is, tot Wim de hendel in zijn achteruit zwiert en zo voorkomt dat zijn hele viskraampje er achteraan komt. Maar ook hier weer verricht Inges bikini wonderen, want het loze vissertje stamelt verlegen ‘dat dat iedereen wel kan overkomen’. Tjonge, tjonge, Wim had eens de dader moeten zijn !

Het moet wel gezegd dat diezelfde stuurvrouw even later, weliswaar mogelijk onder invloed van teveel cognac met ‘tonic orange’, een haast perfect aanlegmanoeuvre uitvoert. Wim klimt in de boom, waar ons strijdros aan vastgebonden ligt om er wat foto’s van te nemen vanuit vogelperspectief. Hij valt er, wonderlijk genoeg, niet uit.

 

Woensdag, 17 augustus

Het geroffel van de stortregen op het plafond van onze kajuit rukt ons uit onze dromen, die die niet echt alledaags zijn. Inge heeft net een (angst)droom over de nieuwe marketingassistente in combinatie met examens, terwijl Wim bij het spitten in de tuin twee DHL-pakken vindt met elk honderd kilogram heroïne. Alexander ligt dan weer achterstevoren in bed ...

Buiten gaat het lelijk te keer: water in water zien vallen, dat is pas deprimerend. We varen na het ontbijt dan ook maar meteen door naar de grens tussen het Charente-departement en de ‘Charente Maritime’, waar meneer Babinot zijn opwachting maakt om ons in zijn destilleerderij rond te leiden. Zijn familie van wijnbouwers-stokers werken al 300 jaar aan de continue verbetering van hun producten, te weten een paar landwijnen, het cognacassortiment en de gesmaakte ‘Pineau des Charentes’.
De overlevering wil dat deze aperitief toevallig tot stand kwam. In de zestiende eeuw vulde een onoplettende wijnmaker per ongeluk een cognacvat verder met gewoon druivensap. Kwaad omwille van zijn blunder rolde hij het vat naar een stoffige kelderhoek, waar het enkele jaren bleef liggen. Pas een paar jaar later, toen de druivenoogst rijkelijk was, had hij het vat weer nodig. Groot was zijn verbazing toen het erin aanwezige mengsel een hemelse combinatie bleek van de houtige cognac en het fruitige druivensap: de Pineau was geboren.

En nu, vier eeuwen later, hanteren de wijnbouwers nog steeds exact dezelfde methode. De cognac wordt bij vers geperst druivensap gegoten, zodat dit niet spontaan kan gisten door de hoge alcoholgraad. De wet vereist dat het druivensap en de cognac uit dezelfde wijngaard afkomstig zijn en dat de alcoholgraad gelegen is tussen 16 en 22 graden. De minimumleeftijd van de gebruikte cognac bepaalt de toegevoegde naam. De respectabele Mr. Babinot neemt hier geen enkel risico: de cognac van zijn ‘gewone’ Pineau is minimum 6 jaar oud, en die van zijn ‘vieux’ 12 jaar. Van deze laatste kopen we een half dozijn, tezamen met een fles ‘Très vieux’, waarvoor cognac van niet minder dan 20 jaar oud gebruikt werd !!! Mmmm. Dan is er ook nog de rosé Pineau, gemaakt van Cabernet of Merlot-druiven, die fruitiger is.

We vervolledigen ons boodschappenlijstje uiteraard met een paar cognacflessen: de ‘VS’ voor Inge om er cocktails mee te maken en de verrukkelijke XO voor Wims winteravonden. Hiervoor betalen we amper 1500 Belgische frank, ongeveer de helft van wat een vergelijkbare fles bij de ‘grote’ merken kost. Al dit lekkers wordt voorlopig onder ons bed verborgen voor consumptie na terugkeer in ons landje. Maar dit goede voornemen laten we tegen de middag al schieten, wanneer de eerste fles ‘Vieux Pineau’ wordt gekraakt. IJskoud gedronken is het een tongstrelende verwennerij.

Het dek krijgt een flinke schrobbeurt, terwijl we naar Cognac stomen. Na twintig kilometer weer eens een sluis (Crouin) waar Inge het touw vanuit de diepte niet minder dan zes keer moet lanceren voor Wim het een metertje hoger kan grijpen. Maar de schat (Inge) compenseert haar gestuntel met een stralende glimlach, waarna ze bovendien de Triton volleerd de sluiskom uitstuurt. Het is stilaan weer oppassen geblazen, want de zandbanken zijn af en toe weer van de partij. En vaak is het bij een riviersplitsing net de smalste kant die je moet bevaren, omdat daar de snellere stroming het zand de tijd niet geeft om te bezinken.

Na de ravitaillering bij het bij de rivier gelegen grootwarenhuis, leggen we bij het plezierhaventje van Cognac aan, waar we de benen gaan strekken. Het is best een gezellig stadje, waar de cognacdampen je toegewaaid komen vanuit de pakhuizen van Hennessy. Geen wonder dat de zwarte microscopische schimmel er weelderig op tiert, zodat de muren in de loop der tijd asgrauw verkleurd zijn. Na het intieme bezoek aan de kleine distilleerderij van vanmorgen spreekt een rondleiding bij Otard, Camus, Remy Martin of Martell niet meer tot de verbeelding. Daarom slenteren we wat door de nauwe en kronkelige straatjes en stillen de honger met een snack in een lawaaierige bistro. De slecht gemutste ‘patron’ reageert zijn frustratie op een onwillig betaalautomaat af, door het onding keihard tegen de vloer te smakken. Wekt het verwondering dat Wim hierna per se wil betalen met zijn Visa-kaart ?

Bij de sluis van Cognac is het even dobberen tot een boot stroomafwaarts versast is, waarna wij samen met een ‘Atlantic’ (een broertje van onze veertien meter lange boot van twee jaar geleden) de sluis invaren. Wat zijn dit prutsers zeg, met een rits kinderen die de rest van de slonzige bemanning tot wanhoop moet drijven door eindeloze rondjes te maken, vooraan binnen- en achteraan buitenstormend. We besluiten de groep de bijnaam ‘Familie Flodder’ te geven. Een kilometertje verder, bij een smal en bochtig stuk, reduceren zij het tempo tot een schrale 3 à 4 kilometer per uur. We dobberen een tijdje rustig achter hen aan, omdat we in onze kinderlijke onschuld vermoeden dat zij zelf achter een boot in moeilijkheden varen. Op het eerste rechte stuk blijkt dat helemaal niet zo te zijn … ze zitten gewoon rustig te eten terwijl de grootmoeder, stuurvrouw van dienst, mee aan tafel geschoven is en af en toe met een schuine blik op de rivier de vaarrichting wat bijstuurt. Wim vindt het nu wel welletjes en gooit onversaagd de Triton in het nauwe gat tussen hen en de oever, zodat hij er zeker van is dat zij, wanneer we aan maximale kracht voorbij stomen, de soep van de tafel kunnen afsponzen. Onze ultieme wraak op dit stelletje onbenullen volgt nog wat verder, wanneer we voor hun neus het prachtige pontonnetje voor de nacht wegkapen, waar we ook op de heenreis aanlegden.

We plannen nog een fietstochtje naar de ruïnes van een vroeg-Romaans kerkje in Port-Boutiers, maar zut: het ligt hoog op een steil afgehouwen rots met een enkel toegang via het eeuwenoude kerkhofje. Maar daarvan is de poort gesloten en de erboven hangende prikkeldraad doet ons afzien van een kraakpoging. Dan maar weer over de ‘Chemin de la Rivière’ weer naar ons terras, waar de gerookte zalm het dagmenu opent. Volgt nog een prachtige zonsondergang en het obligate spelletje ‘Mens-…’.

 

Donderdag, 17 augustus

Vandaag worden we gewekt door de zon die ons in de ogen priemt en het plafond doet glinsteren van het weerkaatste licht. Een bakker is hier niet in de buurt, zo leerden we een week geleden, toen we de streek met grommelende magen per fiets doorkruisten. Onder een stralend blauwe hemel slurpen we al varend onze cornflakes naar binnen. We worden op de voet gevolgd door een armada van pleziervaartuigen, die we het nakijken geven als wij bij het kasteel van Saint-Brice (pk52) als eerste het minieme pontonnetje bezetten.

De fietsen worden aan land gezet en brengen ons voorbij het zeventiende-eeuwse kasteel van Garde-Epée, mèt een gigantische duiventoren, naar de dolmen van Garde-Epée Een prehistorische heilige plaats temidden van de druivenranken, waar een op een tractor gezeten wijnboer voor het nodige contrast zorgt.

En verder gaat het via een karrenspoor aan de rand van een rapenveld en een nauwelijks als dusdanig te herkennen boswegel, tot plots de abdijkerk van Châtre uit het niets opduikt. Het is een prachtig oord in een vochtige vallei, waar Augustijner monniken in de elfde en twaalfde eeuw hun geïsoleerde abdij oprichtten. Helaas viel het enorme complex ten prooi aan protestantse klauwen tijdens de godsdienstoorlogen en werd de kerk later zelfs misbruikt als tegelfabriek. Het was tenslotte de weelderige natuur die het complex overwoekerde en het in deze sprookjesachtige plaats omtoverde. De elegante abdijkerk staat nog wel overeind en is – hoe kan het ook anders – gebouwd in de typische Romaanse Saintoigne-stijl, later verlengd met een gotisch koor. Helaas is ze slechts ‘s namiddags te bezoeken, zodat we over een lommerrijk bospaadje maar weer naar ons bootje peddelen.

We vertrekken rond de middag, zorgvuldig de linkeroever van de rivier volgend, want aan bakboord is ze over een paar kilometer verzand. Bij de sluis ‘Garde Moulin’ slingeren ijverige ‘sluiskinderen’ de poorten al voor ons open, als de wind vat krijgt op onze knalgele luchtmatras, waarmee Alexander naast de reling sjokt. Waar drijft hij vervolgens naartoe ? Inderdaad: rechtstreeks naar de zandbanken, het kost dan ook enige angstige minuten manoeuvreerwerk om hem weer aan boord te hijsen.

Een halfuur later leggen we aan in Bourg-Charente, waar de goede plaatsen al ingenomen zijn en we het moeten stellen met een door een lokale handige jongen ineengeknutseld gigantisch drijvend ponton van golfplaten gesoldeerd op olievaten. Even later legt ook ‘Familie Flodder’ er aan, wier vispogingen wij verstoren door als gekken over de metalen platen te springen. Wraak, o zoete wraak. Drie reisgidsen vermelden eensgezind dat Bourg-Charente een ‘verrukkelijk Charentedorpje’ is, zodat we meteen op stap gaan naar het dorpspleintje. Althans, dat is de bedoeling, want drie kwartier stappen onder een blakende zon heeft ons alleen voor de gesloten deuren van het poppenmuseum gebracht. We vinden het verdomde centrum gewoonweg niet … Balend als de pest rammelen we nog eens extra hard met de golfplaten, wanneer we weer vertrekken.

Zoals meestal ligt ook hier stroomopwaarts van het dorpje meteen een sluis, waar ‘koordtrekster’ Inge, ‘sluisdraaier’ Maarten en ‘trekker/draaier’ Alexander het zware werk doen, terwijl Wim, van een pineau nippend, de Triton bestuurt. De hemel trekt even wat toe, waarbij de horizontaal gestapelde wolkenbanden zich spiegelen in het water en zo een prachtig plaatje opleveren.

Nabij de rederij van ‘Crown Blue Line’ in Jarnac, die Wim de twee vorige jaren drijvende hield in de Midi en in de Gers, leggen we aan voor water en brood en worden we even verder versast door strak in het badpak zittende sluismeisjes mèt Italiaanse ‘look’. Wim mag hen van de 'schipperin' dan ook onder geen beding een handje toesteken. 

Het parcours wordt nu behoorlijk geaccidenteerd met zandbanken alom en de erbij horende jaargidswaarschuwingen (‘Serrer la rive gauche’ of ‘Bien serrer la rive gauche’). Inge ligt te zonnen op de voorplecht, waarbij zij nagefloten wordt door zigeunerjongens die in het water ravotten. Onschuldig ogend vraagt zij of ik ook die vogeltjes heb horen fluiten? Zij loodst ons door de sluis van Gondeville (pk41) maar geeft daarna wijselijk het roer over bij het rivierstuk waar men moet navigeren ‘op vijf meter van de rechteroever’. Bij de brug van Vinade (pk38) wijst de vaargids ons weer aan tussen welke pijlers het veilig varen is.

Aan bakboord ligt, in de velden verscholen, de piramide van de Prins van Condé. Dat was een protestantse legerleider die er in 1569 tijdens de godsdienstoorlogen van zijn paard geslagen werd door de katholieken, aangevoerd door de hertog van Anjou (de latere koning Hendrik de Derde). De gewonde prins bood aan de royalistische soldaten de gigantische som van tweehonderdduizend kronen in ruil voor zijn leven. Maar hun kapitein was de gruwelijkheden van de Hugenoten nog niet licht vergeten, nam zijn pistool en knalde het prinselijke hoofd aan flarden. Het lijk werd vervolgens door de dronken soldaten op een ezelin over het slagveld gevoerd. De hertog van Anjou vond het zo welletjes en riep de doodstraf uit voor iedereen die nu nog met het lijk solde. Maar goed, de protestantse prins kreeg postuum hier toch wat eerherstel in de vorm van een monumentje.

Enkele honderden meters verder leggen we aan bij de rechteroever, waar zowel Inge als Maarten zich voorzichtig op zijn luchtmatras laat zakken om toch maar geen spatje water op zich te krijgen. Helaas had de strateeg van dienst daarnet even een zwak moment, want hij is er perfect in geslaagd om bij de keuze van de aanmeerplaats elk streepje zon te ontwijken. Wim en Alexander starten dan maar weer de motor om op zoek te gaan naar een warmer plekje. Dit gebeurt met de nodige manoeuvres, niet omdat dat speciale plaatsje op de zonovergoten rivier zo moeilijk te vinden is, maar wel omdat het gewoon leuk is om de twee ronddobberende hydrofobe matrozen door de golfslag te destabiliseren op hun luchtbedden. Alexander lacht echter te voorbarig, want hij wordt even later door Wim met een sierlijke zwaai de Charente in geworpen.

Rond achten vertrekken Wim en Inge met de fiets over het jaagpad, op zoek naar de ideale weg om morgenvroeg met de kinderen de abdij van Bassac te bereiken. Het is een zalig tochtje doorheen de van de hitte nazinderende wijngaarden en maïsvelden, ofschoon dit iets minder opgaat voor Wim. Hij knalde, bij het uit de boot stappen, immers tegen de iets te lage aluminium bovenstijl van de schuifdeur. Dat was de afgelopen dagen al wel minstens elke dag een keer gebeurd, maar daarnet wel keihard. Hij loopt er dan ook wat groggy bij en ziet het veldpaadje nog meer slingeren dan het in werkelijkheid al doet.

Tot groot jolijt van Alexander, staat vandaag een van ‘zijn’ drie gerechten op het ‘menu’: hij verorbert de hotdogs ("Maar zonder iets op, hé, Inge. Niets erop doen, alleen het worstje.") met smaak.

Met versterking van een pull en een glaasje Pineau starten we op het terras om half tien ons uitgebreid slaapritueel met het gebruikelijke gezelschapsspelletje. Dat wordt verstoord door een steeds luider wordend gebrom. Een boot? Kan niet, het is al stikdonker en dan zou het bevaren van deze onvoorspelbare rivier een uitgesproken vraag om moeilijkheden zijn. En toch is het zo: over het zwarte water komt een plezierjacht aangegleden … met Italianen aan boord. Over de boeg geleund, kijkt een van hen uit naar een plaats om aan te leggen voor de nacht. Hij ziet geen tien meter ver, maar dat weerhoudt hem er niet van om zijn vriend aan het roer met een mitraillettevuur van woorden en wild gesticulerend koersaanwijzingen te geven. Aan die schipper zelf kleven dan weer de twee angstige vriendinnetjes: voorwaar, er zijn minder comfortabele situaties denkbaar. De motor de hoge toeren in jagend, schuimen ze kriskras de rivieroevers af, maar slagen er pas bij de vijfde poging in om een plaatsje voor de nacht te vinden. Wijzelf ronden ons spelletje af en genieten van een lange nachtrust.

 

Vrijdag, 18 augustus

Het is pas om tien uur dat een stralende zon ons uit dromenland haalt. We vegen ons bootje, waar zich wel drie honderd vertoningen van Hans en Grietje schijnen afgespeeld te hebben, afgemeten aan de massale hoeveelheid kruimels waarmee de vloer bezaaid ligt (maar dat is dan ook het enige nadeel van ‘Frans’ brood.) In ons enthousiasme gooien we er bovendien nog de natte dweil achteraan, zodat we voortaan weer met witte voetzolen door het leven kunnen.

Terwijl we ontbijten op het halfbeschaduwde terras, wordt de serene stilte onderbroken door het ritmische klapwieken van een zwaan die net boven het wateroppervlak de loop van de rivier volgt. Ze zeilt ons op een steenworp majestueus voorbij, zodat we voor het eerst in ons leven horen hoe de lucht zich met een zoevend geluid doorheen de slagpennen van de vleugels perst. Het dier laat zich een honderdtal meters in het water glijden en komt stroomafwaarts gedreven, af en toe wat bijsturend naar Maarten en Alexander die broodresten verkruimelen (daar heb je ze weer!). Door een misverstand (Inge zei "Toe maar, je mag heel het brood geven") keilt Alexander echter een half stokbrood naar de zwaan, die tanden- en dus ook vruchteloos stukjes probeert los te knabbelen.

We fietsen nu naar de abdij van Bassac, gebouwd aan een zijarmpje van de Charente. Het is een schitterend geheel van bijna duizend jaar oud, verscholen achter hoge muren. Je betreedt het eigenlijke ‘klooster’ door een eigenaardig overwelfd galerijportaal. De kloostergang werd helaas neergehaald in 1820, zodat de charme ontbreekt. Gelukkig kunnen we nog net aansluiten bij het laatste geleide bezoek van de voormiddag, gedaan door een zuster van de missionarissen van Saint-Thérèse, die na de tweede wereldoorlog het complex betrokken. De abdij had dan al een erg bewogen geschiedenis achter de rug, meermaals gedeeltelijk verwoest in de Honderdjarige Oorlog, de godsdienstoorlogen en de Franse Revolutie. De abdijkerk heeft een naar verhouding enorm koor, waar de monniken plaatsnamen in het prachtig gesculpteerde koorgestoelte, waarin vandaag onze twee jonge Belgische bedevaarders even op de foto mogen.

Bij het verlaten van het dorpje langs de ruïnes van de vroegere parochiekerk, slaat Maarten de talrijke waarschuwingen omtrent het gevaar van de kiezeltjes op het asfalt in de wind, zodat hij even later op handpalmen en knieën de straat over schuift. Maar hij houdt zich erg sterk op de terugweg naar de boot, waar een halve bus ontsmettingsmiddel en de nodige pleistertjes het leed verzachten. Alhoewel laat in de vakantie, besluiten we vooralsnog de vorig jaar in het leven geroepen ‘piemelprijs’ dagelijks toe te kennen.

Op het heetst van de dag vindt Inge het niet erg dat ze door een (ongewild, echt waar!) elleboogje van Wim in de rivier belandt. Maar die volgt zelf ook en zo dobberen ze samen een tijdje zalig op de matrasjes, tot Wim een afgedreven Alexander moet repatriëren.

We meren af en bij het snoepen van een ijskoude ‘Pineau’ stevenen we voorbij Juac naar Saint-Simon, waar we op de heenreis een bordje met ‘Epicerie à 1 km’ opmerkten. We leggen er om half vier ook op exact dezelfde plaats aan, waarna Wim en Inge te voet op pad gaan. De tocht voert ons parallel met het molenkanaal, dat echter niet meer bevaarbaar is, maar dat vroeger de watermolen van Vibrac van kinetische energie voorzag. Na een half uur stappen (één kilometer?) over een zinderende asfaltweg, valt Inges oog toevallig op het minuscule uithangbord van de minuscule kruidenierswinkel, waar een minuscule kruidenier enkele etenswaren uitgestald heeft op zelf geknutselde rekken. Blijkbaar ‘doet’ hijzelf de winkel niet vaak, want voor de prijs van een fles Gini is telefonische bijstand nodig. Het schriele mannetje dribbelt nerveus heen en weer en herbegint de rekening twee keer vergezeld van een hikkend zenuwlachje. We beroven zijn Mickey Mouse-winkeltje van de laatste broden en stappen huiswaarts.

Even pauzeren bij de voormalige watermolen, die overigens dit dorpje al van elektriciteit voorzag, toen in vele steden nog steeds gaslampen in gebruik waren. Bij de zacht aflopende openbare wasplaats verfrist ook een jong koppel op doorreis de vermoeide ledematen in het koele water. De jongen filmt zijn ‘typisch Engelse’ vriendin (say no more), maar kan het niet nalaten telkens zijn lens te laten afglijden naar de bikinitop van Inge, beeldig gecombineerd met hoedje en rugzakje. Een nijdig ‘no’ van het versmade Engelse model roept hem even vaak weer tot de orde van de dag.

Maarten zit aan de kade nog altijd te vissen. Zijn techniek bestaat erin een afgesneden plastic fles met touw roerloos in het water te houden bij een school minuscule visjes en op het juiste moment met een korte ruk toe te slaan. Dat lukt vrij aardig, al maakt Alexander het hem niet bepaald gemakkelijk, door de luidruchtige constructie van een stenen dammetje een meter verderop. De Charente zit werkelijk barstensvol vis: als je je voeten van op de kade roerloos in het water houdt, komen tientallen visje zowaar even met een kort tikje ‘proeven’ van je huid! Inge wast onder ruime publieke belangstelling haar haar onder een kraantje op de kade en rond half zes varen we verder.

De rivier wordt steeds ondieper, zodat af en toe de herinnering aan ons ‘ongeluk’ weer even opduikt. Nochtans kan je niets gebeuren zolang je niet per se de held wil uithangen. Dat is overigens het laatste wat Inge wil, wanneer ze de boot de sluis van Angéac-sur-Charente (PK28) instuurt. Maar het wordt haar nachtmerrie: een verkeerd manoeuvertje corrigeert ze te wild, waardoor de Triton hard uitzwaait, wat dan weer leidt tot een nog paniekerige reactie van Inge. Wim kijkt het tafereel van op de open sluisdeur met lede ogen aan, maar herinnert zich maar al te goed zijn eerste keren enkele jaren geleden. Het kost inderdaad de nodige vaartijd om het water niet als een met paardenkracht te bekampen vijand te zien, maar wel als een betrouwbare metgezel, die een kleine stuurcorrectie een hele tijd voor je blijft uitvoeren, zodat je zonder enig rumoer een schip gedraaid krijgt, als je er maar de tijd voor neemt. In het begin is je eerste reactie vaak ook je motor in ‘neutraal’ te zetten om verder onheil te vermijden. Maar wanneer je dan als een gek aan het roer begint te draaien, gebeurt er zonder stuwkracht helemaal niets. Bij het verlaten van de sluis repeteren Inge en Wim dan ook geruime tijd: "Ik rem achteruit, ik stuur vooruit".

De vijf kilometer die ons scheiden van Châteauneuf-sur-Charente zijn adembenemend mooi en bezaaid met kleine eilandjes. We varen op halve kracht om rustig te genieten van al dit fraais, zonder het gebulder van de dieselmotor. In de stad leggen we aan bij de steiger van het eilandje, waar in lang vervlogen tijden het eerste kasteel stond. Alexander en Maarten bouwen een dammetje in het kristalheldere water van een ondiep riviertje, terwijl Wim de watervoorraad aanvult. Hij neemt meteen zelf ook maar een douche, en staat net wat onnozel te doen met de tuinslang als attribuut, als uit het bosje achter hem een giechelend meisje opduikt. Ook Inge zeept zich in en gilt het vervolgens uit onder de koude waterstraal.

Vanavond koken we niet zelf, maar trekken we naar een Italiaans restaurantje, waar we ons aan werkelijk belachelijk lage prijzen tegoed doen aan heerlijke spijzen (verhip, dit rijmt!). Alexander gaat zelf de koffie bestellen, na het nodige inoefenen van het fonetische "deu gran kaffee, sil voe plei". Fier als een gieter is hij, als even later de dienster inderdaad de twee bestelde koffies brengt. De overvloedig gebruikte specerijen worden er evenwel niet door geneutraliseerd, want het wordt een nacht van veel drinken en ‘naar-het-toilet-hollen’.

 

Zaterdag, 19 augustus

Wim is al vroeg uit de veren, zodat de anderen meteen aan tafel kunnen schuiven op het terras. Onder ons zwemmen als naar gewoonte weer duizenden kleine visjes, maar ook grotere tot een centimeter of dertig. Alexander ontdekt zelfs een zoetwaterkreeftje, net voor dat zich onder een steen verschuilt. De eendjes krijgen nog het brood van gisteren, voor we om tien uur afvaren.

Ook hier wordt het stadje beschermd door een onmiddellijk erboven gelegen sluis, waar Wim snel aan land springt, voor Inge zich van enig kwaad bewust is. Zij is nu wel verplicht om opnieuw zelf door de sluis te gaan en doet dit adembenemend perfect, zodat haar ‘bad trip’ van gisteren meteen weggespoeld is. Meteen na de sluis moet Wim wel even overnemen, want Inge bestormt het toilet. Het fijnere stuurwerk werkt beter dan pruimenstroop. Omdat de rivier hier een grote lus maakt, varen we even later in de tegenovergestelde richting naar de idyllisch gelegen sluis van Malvy (PK24). Die luidt het deel van de reis in, waarin we om de twee tot drie kilometer een sluis voorgeschoteld krijgen.

Even verder volgt een mooi dieptezicht op het watermolencomplex van Saint-Simeux met ingebouwde vistrappen, die de vissen op weg naar hun geboortegronden stroomopwaarts helpen. Ironisch genoeg staat ernaast een ganse batterij visnetten… Het is hier uitkijken met de wirwar van brede rivierarmen, die het met hout afgezette kanaaltje dat je naar de sluis brengt, zorgvuldig aan het oog onttrekken. Nu ja, ‘kanaaltje’: zijn bouwers staken de rivier qua bochtenwerk naar de kroon. De ‘sluiskinderen’ rijven het geld gemakkelijk binnen in deze sluis met een pover verval van nog geen halve meter. Maar het is hen gegund, want het is intussen bloedheet in de zon, zodat we maar al te blij zijn deze keer niet zelf de sluismechaniek te moeten aanzwengelen. We leggen aan bij de linkeroever (met jaagpad).

We pootjebaden bij de lange dam, die het water op het juiste niveau houdt tussen de sluis en de molen. De kinderen stropen eerst zorgvuldig hun shorts op wanneer ze behoedzaam over de gladde stenen lopen, maar duiken even later in zwembroek in het rustige water net voor de dam. Inge heeft zich gedrapeerd over een steen en geniet van de paradijselijke rust.

Door een niet geheel perfecte timing vangen we de klim naar het op een rotswand gebouwde dorpje aan op het heetst van de dag. Langs de rivieroever gaat het stroomafwaarts, over de brug van daarnet en langs de andere oever steil omhoog over asfalt dat de zolen van onze sandalen haast wegbrandt. Maar eenmaal boven, is het uitzicht op de bochtige vallei prachtig en ontwaren we ons bootje daar beneden. Ofschoon geen van de reisgidsen er gewag van maakt, ontdekken we zowaar een ‘Tabac’-winkel, meestal synoniem voor ‘kleine kruidenier’. Op het moment dat de vrouw net gaat sluiten (het is één uur) vallen we er binnen, snakkend naar een verfrissing (die we uiteraard vergeten waren in ons rugzakje). De – dure – frisdrankblikjes worden aan de gretige monden gezet, gevolgd door een – dure –‘Mars’, ‘Bounty’ of ‘Twix’, die we opsmikkelen in het intieme Romaanse kerkje. Wim zit in de knoop met de rugzak en werpt Inge zijn nog onaangeroerd bierblikje toe. Zij mist helaas bij het opvangen, het blikje knalt tegen de grond en produceert een meters hoge fontein van opspuitend bier. En, oh ja, het winkeltje sloot inmiddels zijn deuren. We laten ons weer de heuvel afrollen, slepen ons de brug over en de rivier langs, naar ons kleine ijskastje, waaruit een uitgedroogde Wim in een mum van tijd twee bierblikjes verzwelgt.

In deze loodzware warmte brengt enkel varen de nodige verkoeling en zo tuffen we over het mooiste rivierstuk, bezaaid met eilandjes, door de sluis ‘La Liège’ en die van Sireuil met zijn hoge kademuur waar je aan wal klimt met behulp van een metalen laddertje. Het gaat dan voorbij de prestigieuze Nicols-rederij, die zijn gestroomlijnde maar niet erg praktische boten aan woekerprijzen verhuurt. In de buurt van Nersac, tussen kilometerpaal dertien en twaalf, volgt een wel heel akelig stuk. De rivier is er erg breed, maar je ziet de zandbodem vlak onder de boeg wegschuiven, terwijl je naar eilandjes speurt, die de vaargids aangeeft, maar die intussen weggespoeld zijn. Inge speurt vooraan de bodem af en Wim vaart met een sukkelgangetje op haar aanwijzingen. Dan volgt nog de ‘Pont de la Meure’, waar je perfect in het midden tussen de pijlers moet varen. Geen loze waarschuwing, want die rusten op enorme betonblokken, die zich net verschuilen onder het wateroppervlak. 

Dan volgt de sluis ‘La Mothe’, waar een prachtige dam de idyllische overloop voor de rivier vormt. We zetten koers naar Saint-Michel, maar bedenken ons bij het zien van het bordje ‘Chocolaterie’ bij een royale aanlegsteiger. De hemelse smaak van de pralines op de heenreis indachtig, keren we dan ook de boeg en sjokken even later door een maïsveld om de winkel der zaligheden te plunderen.

Het is inmiddels rond vijven en nog steeds even heet. Daarom houden we het voor gezien voor vandaag en leggen we aan de andere oever aan, op enkele honderden meters van de sluis. Een zwempartijtje brengt verkoeling, waarna we voetje voor voetje de dam gaan verkennen. Inge speelt in haar rode badpak voor Baywatch-actrice (voor zover er sprake kan zijn van enig acteerwerk in die serie) en Alexander waant zich met zijn wapperende gele handdoek even Superman.

Weer op de boot, zet Wim op het dak met de nodige ‘Rosé’ de vooravond feestelijk in en bereidt Inge op haar minuscule aanrecht een heerlijke koude schotel. Uiteraard ontbreekt ‘Mens-erger-je-niet’ niet op het avondprogramma, dat ditmaal voor één keer eens niet gewonnen wordt door Inge, maar door Maarten. Zijn broer is stilaan de wanhoop nabij, want die eer viel hem nog niet te beurt, zodat hij de volgende avond zelfs zal weigeren mee te spelen ! Terwijl de kinderen slapen, wandelen Inge en Wim nog even naar de sluis, het stikdonker verdrijvend met de stormlamp. Op dit romantische plekje onderwerpen zij de kademuur aan een grondige stevigheidtest, die Test-Aankoop het schaamrood op de wangen zou doen stijgen.

 

Zondag, 20 augustus

De zondag wordt lui ingezet bij de dam van gisteren. De kinderen vinden het hier heerlijk spelen op de glibberige stenen: Maarten is druk in de weer met het te water laten van takjes in de waterkolkjes, terwijl Alexander met grote slieren wier heen en weer zeult om de dam lokaal een paar centimeter te verhogen. Inge en Wim luieren wat aan de kant en in deze paradijselijke omgeving lijkt de tijd weer even stil te staan.

De nodige pastis helpt ons op het middaguur toch weer op weg voor onze laatste etappe, naar het tien kilometer stroomopwaarts gelegen Angoulême. Het is even met de tanden knarsen bij de sluis van Fleurac, waar een bootje vol met slimmeriken het prettig vond af te meren bij de steiger, die dient om af te stappen voor de sluisbediening. Wim werpt hen een onderkoelde blik toe en Maarten springt enkele meters verder af, terwijl de boeg zachtjes over de daar in het water hangende rotsen schuurt. Onze collegae raadpleegden inmiddels blijkbaar de navigatieregels, want nog voor de sluisdeuren opendraaien, kiezen zij stroomafwaarts het hazenpad.

Twee kilometer verder passeren we weer onze allereerste sluis van deze vakantie, maar dan wel in de andere richting. Maarten zet dit feit gepast in de verf, door overmoedig te proberen op de hoger gelegen kademuur te springen, nog voor de achtersteven daar geheel tegen ligt. Hij kan een aantal maal net op tijd terugkrabbelen, maar de vijfde keer is de afstand te groot en duikelt hij in de sluiskom. Inge en Alexander slaan het tafereel verschrikt gade vanaf de andere sluismuur, maar stuurman Wim hoort gelukkig de plons, draait zijn roer bliksemsnel weg van de kade, legt de motor stil en vist Maarten aan een hand uit het water. Het manneke is er niet goed van! Gelukkig viel hij op het moment dat de schotten nog niet geopend waren, want die zorgen voor een sterke onderstroom in de kom !

We halen even diep adem en troosten Maarten, de trotse winnaar van de Piemelprijs vandaag, vooraleer we in een grote lus naar de stad varen. Deze meander wordt bezet door een militaire basis, die geen pottenkijkers duldt. Je mag hier niet aanleggen en de oever ligt bezaaid met kleine natuurlijke en kunstmatige eilandjes, die de bevaarbare rivierbreedte met de helft reduceren.

Bij de voorlaatste sluis besluit Inge haar duit in het evenementenzakje te doen. Zij hanteert de stormramtechniek bij het afmeren, zodat Wim die op de kade het losgeslagen schip in bedwang probeert te houden, zijn grote teen openhaalt.

Bij de laatste sluis, ‘Saint-Cybard’, wordt net de ‘Angoumois’ versast, een plezierboot, die eendagstoeristen enkele aangename uurtjes bezorgt op ‘onze’ rivier. Even toeteren en honderden handjes wuiven naar ons.

Maarten en Alexander versassen ons vervolgens naar het hoogst gelegen bevaarbare rivierstuk, waarrond Angoulême zich hoog op haar rots genesteld heeft. Maar wat is dat hier een absolute afknapper: een afgebrokkelde kade, waar aanmeren onmogelijk is, bezaaid met scheefgezakte en vermolmde schuiten … Bij de laatste brug houden we het dan ook voor bekeken en laten we de stad weer achter ons liggen, terug naar de sluis van daarnet.

Toch besluiten we de bovenstad nog een kans te geven en zoeken we naar een stopplaats in een wel erg ondiep stuk, nabij de brug over de rivier die naar het stadscentrum leidt. Met de bibber in de benen leggen we aan bij een korte kademuur, waar we de touwen heel losjes hangen om de boot niet te laten vastlopen in het zand.

Rond een uur of drie bestijgen we kreunend van de hitte het paadje dat leidt naar de kalkrots waar de Romeinen tweeduizend jaar geleden een van hun Aquitaanse steden stichten. Dat is het begin van een turbulente geschiedenis, waarbij eeuwen lang het nodige bloed vloeit om dit graafschap, later hertogdom, in handen te krijgen. Graaf Willem ‘De IJzerbreker’ kan er van meespreken, want hij hakt in een klap een Noorman doormidden, inclusief wapenuitrusting …

Al van in de Middeleeuwen werden hier papierfabrieken gebouwd aan de rand van de rivier, later onder koninklijke bescherming. Het wordt het beste papier van zijn tijd met export over geheel Europa: bij ons wordt het ‘velijn’ genoemd. Deze industrietak verbruikt het nodige vilt, zodat er zich al gauw ook heel wat pantoffelfabriekjes vestigen, die er nu nog steeds de geruite ‘opapantoffels’ fabriceren. Sinds de jaren zeventig is Angoulême bovendien bekend als dé ‘stripstad’. Wim kijkt verrukt op als hij dit verneemt, maar klautert onverstoord verder als blijkt dat het om tekenstrips gaat. In januari is er het jaarlijkse stripfestival, er staat het nationale stripmuseum en alle straatnaambordjes zijn gesierd met tekstballonnetjes! Zo ook dat van de ‘Place New York’, die herinnert aan de hertog van Angoulême, Frans 1, die in de zestiende eeuw de ontdekkingsreiziger Verrazano naar de ‘Nieuwe Wereld’ zond. Die gaf de door hem ontdekte baai, de latere haven van New York, zijn eerste naam: ‘Het Land van Angoulême’ …

We bezoeken de Sint-Pieterskathedraal, in de twaalfde eeuw gebouwd op de ruïnes van drie andere kathedralen, waarvan een nog opgericht was door Clovis, maar later verwoest door de Noormannen. De kerk pronkt met een prachtige façade met rijkelijk beeldhouwwerk aangebracht in de symmetrische boogjes. Ook binnen word je verrast door de enorme plafondkoepels, die van Oosterse oorsprong zouden zijn. Helaas wordt het koor, dat gerestaureerd wordt, aan het oog onttrokken door een stelling.

Weer buiten, sloffen we in de hitte verder door een stad waar geen levende ziel te bespeuren valt op dit uur van de siësta. En nergens een cafeetje dat open is! Onze magen grommelen vervaarlijk en onze monden voelen aan als droog schuurpapier als we zowaar een Quick ontwaren. Mèt airconditioning !!! We voelen ons heel even weer in België en de ‘Giants’ smaken overheerlijk. Daarna hossen we weer naar beneden, ons nog even vergapend aan een Spaanse die luid snaterend in een telefooncel staat te gesticuleren. Neen, juffrouw, je hoeft niet harder te roepen als je internationaal belt. 

Om half zes meren we af en stuurt Inge in geelrode bikini ons weer stroomafwaarts naar de brug van Basseau. Zij moet evenwel dringend naar het toilet, net wanneer we door een ‘bassin de vitesse’ varen, waar op deze warme dag de ene na de andere speedboot voorbij suist. Onze Triton danst op hun golven, tezamen met Inge, die zo het spreekwoord ‘naast de pot pissen’ gestalte geeft. Ze staat nog niet goed en wel weer aan het roer, wanneer in de verte de ‘Angoumois’ weer opduikt, die we zullen moeten passeren op een wel erg nauw stuk. Wim wordt dan ook ogenblikkelijk te hulp geroepen en die doet wat hij moet doen: zachtjes in de juiste vaarroute komen en dan vol gas net voor hij het aanstormende gevaarte kruist, zodat je boot er niet naartoe gezogen wordt. Maar toch blijft het spectaculair en ons bootje stampt wild op de reusachtige baren.

Bij de sluis van Basseau lopen we toevallig net de reder tegen het lijf, die ons alvast de autosleutels geeft. We leggen even verder aan voor de nacht, nabij de papierfabriek van Saint-Michel. We zoeken verkoeling door voor de allerlaatste keer nog wat op de rivier te peddelen met onze luchtmatrasjes, die daarna te drogen gezet worden.

Wim en Inge lopen een halve kilometer terug om de auto op te halen en hem over het hobbelige jaagpad tot bij de boot te rijden, zodat het overladen vlot kan verlopen. Wat valt deze confrontatie met de twintigste eeuw echter tegen: Wim kruipt met tegenzin achter het stuur en rijdt aan een slakkengangetje stroomafwaarts.

Het inpakken verloopt dan ook volstrekt tegen onze zin en absoluut chaotisch. Maar uiteindelijk is de Volvo toch netjes volgepakt en kunnen we aan ons (late) laatste avondmaal beginnen, dat beperkt is tot de enig overgebleven proviand, te weten soep in vier soorten. Helaas werden de lucifers voor ons gasfornuisje al mee ingepakt en de moed zinkt ons in de schoenen bij de gedachte alles weer te moeten uitladen. Wim probeert het dan maar met de sigarenaansteker van de auto, wat mislukt: het papier verkoolt wel, maar wil niet branden, net zomin als de ‘Kleenex’ zakdoekjes. Maar hij geeft niet op en met een smeulende duim van het lange duwen op het gloeiend hete knopje lukt het uiteengerafeld toiletpapier in brand te krijgen, dat op zijn beurt de vlam doorgeeft aan bijeengeraapt dor gras en krantenpapier. Tenslotte krijgen we zo een stokje aan het branden en na enkele pogingen ook het gasfornuis en de stormlamp, zodat we het ongezellige TL-licht ook op deze laatste avond kunnen uitlaten. We spelen een laatste keer het gekende gezelschapsspel (zonder Alexander) en kruipen in ons nestje.

 

Maandag, 21 augustus

Om halfacht roept de plicht: de laatste rommel wordt in vuilniszakken gepropt en een inspectieronde naar mogelijk achtergelaten waardevols levert niets op. Wim ontdekt dat zijn gewassen T-shirt nog net even klam aanvoelt als gisterenavond, maar ook hier biedt de auto de oplossing: het kledingstuk wordt over het stuur gedrapeerd en door de airco in een mum van tijd doorgeblazen. Nog een laatste groepsfoto op het voordek, waarna Inge alvast te voet de formaliteiten gaat afhandelen, terwijl Maarten en Alexander de laatste sluis bedienen. De geroutineerde jongens zijn blijkbaar nog niet goed wakker, want ze draaien de benedenschotten van de sluis al open, terwijl de bovenschotten ook nog open staan. Wim beleeft, dobberend voor de onderdeuren, hachelijke tijden als de zo ontstane onderstroom hem alle kanten van de rivier laat zien.

Om negen uur leveren we ons bootje in, waarbij we net geen koppel onvoorzichtige eenden verpletteren tegen de wal. De teller leert ons dat de motor ocharme 45 uur gedraaid heeft, inclusief stationair. Dat betekent een daggemiddelde van nog geen drie uur varen …
We legden hierbij 230 kilometer af : een goede 15 kilometer per dag …

Het is nu tijd om definitief afscheid te nemen. Terwijl we het asfaltweggetje oprijden, kijken we nog meermaals om, een laatste keer vanop de brug, waar we gisteren nog onderdoor voeren. En een zalige vakantie achter ons latend, gevarieerd zoals je dat alleen op een binnenschip kan meemaken, stevenen we op België af.

We kopen een plaatselijk bakkerijtje leeg, waarna Inge in slaap valt, niet voor de eerste en zeker niet voor de laatste keer tijdens deze autoreis. We houden halt bij de oevers van de Loire, Inge bezorgt een pompbediende een hartstilstand door in haar topje voorovergebogen te tanken en de kinderen hebben plezier op een goed uitgerust speelpleintje.

Wim Van Rompuy - copywritingZo zijn we rond achten weer in Mechelen, waar we ons diezelfde avond nog bezatten aan de meegebrachte Pineau des Charentes en we ons even nog op de achterplecht van onze Triton wanen.