Wim Van Rompuy - copywritingVan Castelnaudary naar Beaucaire

Canal du Midi & Canal du Rhône à Sète

augustus 1997


Vrijdag

België 15 uur - Frankrijk 7 uur. Dat is de samenvatting van de autoreis van Bonheiden naar Castelnaudary, een stadje in de Haut-Languedoc 50 kilometer ten zuidwesten van Toulouse. Op onze dooie gemakjes aan nog geen 100 kilometer per uur over de snelweg dwars door 'La Douce France'.

 

Zaterdag

Om halfnegen 's morgens wachten we de oudsten en de jongsten op aan het treinstation. Vandaar gaat het naar het haventje, thuisbasis van de vloot van 'Crown Blue Line - Midi'. Netjes zij aan zij afgemeerd met de achtersteven liggen er binnenschepen te kust en te keur: kort of lang, smal of breed, lelijk of mooi, onpraktisch of ... iets minder onpraktisch.

Rond negenen komt er leven in de brouwerij: een twintigtal Fransen bestormen de boten om ze schoon te maken, de motor ervan te reviseren en eventuele averij door onervaren en/of overmoedige schippers te herstellen. Prima, doorwerken jongens! Hoe eerder we het zeegat -'riviergat' klinkt zo raar- uit zijn, hoe beter. Dat verlangen wordt even later vakkundig de kop ingedrukt, als blijkt dat we pas om 4 uur 's namiddags op de boot mogen. Meer nog: ons schip is zelfs nog niet binnengelopen! Een ongeluk komt bovendien nooit alleen. We huurden wel onze boot voor 2 weken om van Castlenaudary naar het 350 kilometer verder gelegen Saint-Gilles in de Camargue te varen, maar dat blijkt plots niet meer te kunnen. Op het einde van het Canal du Midi, in Port Cassafières, moeten we overstappen. Op identiek hetzelfde boottype, de 'Atlantic', maar gevolgd door een ander nummertje. Wanneer Wim witheet aanloopt, doet de rederij wat water bij de wijn en maken ze onze boot als eerste vaarklaar, zodat we al vroeg in de namiddag kunnen vertrekken.

We hebben dus nog enkele uurtjes om door te brengen in Castlenaudary en dat gebeurt bij een koffie/cola/pint bier (schrappen wat niet past) en een croissant. Het is overigens een fikse wandeling naar de boulevard met de terrasjes. Dat komt omdat de stad hier niet bij het kanaal gebouwd werd, maar net omgekeerd. Het oorspronkelijke kanaalplan voorzag immers niet in een doortocht doorheen Castlenaudary. Het stadsbestuur zag echter al snel de economische waarde in van het Canal du Midi, de eerste waterweg die het transport over water van Toulouse naar de Middellandse Zee zou verzekeren. Er werd dus 30.000 pond opgehoest, waarmee ook een voor die tijd gigantisch groot waterbekken gegraven werd: 'Le Bassin'. Hiermee werd Castlenaudary de enige grote overslaghaven tussen Toulouse en Béziers. Het was er een drukte van jewelste, waar de Languedoc-wijn op- en afgeladen werd en de stad een ongekende welvaart bracht. We dragen hiertoe ons hedendaags steentje bij op het terrasje en in de boekenwinkel, die een schitterende keuze heeft van kanaalgidsen en ansichtkaarten.

We bestormen we 's middags -inderdaad als eersten van een hele troep gegadigden- onze Atlantic. Een blauwwitte platbodem van een kleine veertien meter lang, met een leefruimte ombouwbaar tot slaapplaats, drie kajuiten elk met een wasbak, twee douches, twee toiletten en een keuken voorzien van gasvuur en twee ijskastjes. Geen blits jacht met talloze trapjes en nauwe slaapruimtes, maar een comfortabele woonboot met alles op hetzelfde niveau en met overal een hoogte die aan Wims lengte aangepast is.

Dan is het tijd om over te gaan tot het moeilijkste manoeuvre van de hele reis. Niet het aanmeren, het versluizen of het achteruit aanmeren; het is het uitpakken dat voor de nodige stress zorgt. Nochtans had de brochure ons in vier kleuren gewaarschuwd voor overdadig vestimentair geweld. Elke lade, legplank en -bak wordt tot in het kleinste gaatje gevuld. Gelukkig beschikt de boot over talloze verborgen vakken, waar we alles, wat niet strikt noodzakelijk is, wegstouwen.

Dan is het tijd voor onze vaarles, waarin de instructeur zich beperkt tot hoe de motor te starten en hoe vooruit en achteruit te varen. We voelen ons dan ook nog niet helemaal klaar om het Canal du Midi zelf te teisteren en dobberen, gewapend met ons vaarbewijs (sic), nog een uurtje op het 'Bassin' om onze vaartechniek bij te schaven. Wim illustreert de ram-de-kaai-techniek en Jana de strompel-en-meer-aan-beweging. Kortom, de sfeer zit er al in!

Even later varen we met de bibber in de benen onder de brug naar het eerste sas, waar net een joekel van een boot komt uitvaren op een wel erg onorthodoxe wijze. In de daarop volgende episode geraken we stuurloos, zwalpen we een tijdje rond, komen in aanvaring met de sluisdeur en belanden tenslotte, haast per toeval, in de sluis. Vervolgens is het hoog tijd voor paniek. Paniek. PANIEK! Dit sas is immers één van de meesterwerkjes van het kanaal. Zij overbrugt een hoogte van 10 meter met haar 4 opeenvolgende sluisblokken. En eenmaal je de eerste in bent gesukkeld, is er geen weg meer terug. Indrukwekkend van aan de kant, maar bepaald bloedstollend voor erin rond dobberende neofieten. Het gezegde 'alle hens aan dek' beschrijft de toestand aan boord.

We trekken aan de touwen als gekken, jagen de motor in de hoge toeren, zwiepen vervaarlijk met de scheepshaak en prevelen meer dan een schietgebedje. Schipperin Jana loopt met elke sluisgang roder en roder aan en staat te trappelen in een plasje transpiratievocht, maar levert al bij al een prima prestatie. Moeke hyperventileert als gek en wordt met elke sluisgang groener en groener en moet net niet beademd worden.

Maar goed, iedereen heeft een beschermengel en de verenigde kracht van onze acht maakt dat we niet gerepatrieerd moeten worden. We slaken een zucht van verluchting als we de vijfde sluisdeur achter ons laten. Het is duidelijk dat de zeventiende-eeuwse kanaalarchitecten niet wisten dat er zich drie eeuwen later een rederij van plezierboten zou vestigen in Castlenaudary.

Nog maar net bekomen van de eerste 'waterval', wacht anderhalve kilometer verder al een tweede, dubbele, sluis die Wim deze keer neemt. Daarna volgt een driedubbele sluis en om de paar honderd meter een nieuwe. Zo overwinnen we 16 sluizen die eerste halve dag.

Maarten en Alexander willen zich ook niet onbetuigd laten en sturen een flink eind.

'Moe maar voldaan', zoals dat dan heet, meren we aan bij Villepinte onder een platanenrij. Na het nodige cosmetisch oplapwerk, gaat het naar het dorpscentrum, waar het eten ons een erg lekker menu van 69 FF aanbiedt, met als dessert voor vake 2 pannenkoeken, die tjokvol 'chantilly' gespoten zijn. Lekker voor een liefhebber van pannenkoeken ... maar niet als je niet van slagroom houdt.

Na het eten eist echter de fysische en psychische vermoeidheid haar tol. Wim, die niet meer geslapen heeft voor 2 dagen, haalt zelfs zijn kajuit niet: men vindt hem languit op het bovendek. Wanneer Annemie hem naar beneden leidt, slaat hij een uur lang totale wartaal uit. Maarten heeft diarree en Alexander is totaal overstuur van een nachtmerrie. In het duister botst iedereen op iedereen en wisselt een slaapdronken moeke haar bed voor dat van Wim, die haar vindt wanneer hij terug naar zijn kajuit trekt. Jana en Mamy lachen zich intussen een (dubbele) breuk en Vake slaapt de slaap der onschuldigen.

 

Zondag

Het is dan ook Vake die zondagmorgen op stap naar Villepinte gaat en met een rugzakje vol knapperige 'Franse' broden terugkeert. Het dorpje heeft voor de rest niet veel te bieden: de veertig pk diesel voorverwarmen dus en op pad voor onze eerste 'echte' dag.

Elke sluis brengt onze Atlantic een meter of drie dichter bij de Middellandse Zee, maar niet echt dichter bij een nieuwe voorraad wijn. De wanhoop is ons nabij als we de toffe sluiswachter van Bram ons laatste glaasje wijn aanbieden. Dit blijkt een tactisch slimme zet, want hij depanneert ons met anderhalve liter van zijn voorraadje. En bovendien aan 4 FF per liter: de prijs die hij zelf betaalde aan de chauffeur van het wijnhuis. We geven hem een stuk van 10 FF, waarop hij prompt weer naar binnen holt om er nog een hervulde limonadefles van een liter bovenop te doen. Proevend van onze semi-clandestiene wijn, varen we naar de volgende sluis, die pas een kleine zes kilometer ver blijkt te liggen. Net nu we het versassen gewoon werden! Want het stuurwerk verloopt van langsom vlotter. Waar je voorheen het water als een vijand ziet, wordt het nu je bondgenoot, die te bruuske manoeuvres gepast tegenwerkt en trage bewegingen net accentueert. Het blijft enkel nog wat wennen aan de impacttijd van elke stuurcorrectie: alsof je een autobus van veertien meter achteraan zou sturen. De simpelste oplossing bestaat erin een seconde of drie op voorhand licht te draaien aan het roer en het samenspel van boot en water doet even later de rest.

We arriveren net na half een bij de sluis van Beteille, bij het begin van het lunchuur van de sluiswachter. Bovendien is het wachten op de tweede sluisgang, want er liggen al vier boten voor ons, die de sluis volledig zullen vullen. Wim neemt dan maar de eerste duik in het kanaal, dat ongeveer 25° warm is. Spoedig is het een en al geplons, zelfs van Maarten en Alexander, voorzien van respectievelijk zwembandjes en een zwemvest. Vake test na het zwemmen de stevigheid van het polyester door er met zijn volle gewicht tegenaan te vallen. Natte voeten glijden, zo weet hij nu. Hij is nog niet geheel hersteld van zijn val, wanneer we de sluis uiteindelijk binnen varen, want hij springt gezwind achteraan langs de verkeerde kant af, zodat onze boot volledig dwars komt te liggen. Met het nodige getrek krijgen we hem echter weer tegen de juiste sluismuur.

Wim krijgt de smaak te pakken en haalt twee andere pleziervaartuigen in, wanneer er in een scherpe bocht een ko-los-sa-le aak opduikt. De harten kloppen even sneller, maar daarna is het kilometerslang peis en vree en glijden de platanen aan weerszijden voorbij in een ritselend windje.

Annemie besluit tot een solo-optreden bij het aanmeren voor het gesloten sas van Lalande, door als enige het bevel van de schipper op te volgen, namelijk te springen en te trekken. Vake en Jana vinden het riet echter te hoog en springen niet, Annemie hulpeloos achterlatend tussen de braambessen. Geschramd en geschaafd komt ze honderd meter verder weer te voorschijn. Maar dit was slechts de eerste akte van haar toneelstuk: in de sluis zelf mist ze wat dieptezicht om de afstand tot de wal juist in te schatten. Een luide plons en zij hangt aan de sluismuur, half in het water.

Bij deze dubbele sluis is het passen en meten om er de vier grote boten in te krijgen. De voorste sluisdeuren duwen onze boot zelfs lichtjes naar achter wanneer zij zich openen. En in de volgende sluis springt de adrenalinespiegel andermaal omhoog als de Italianen naast ons blijven hangen aan een slecht opgerold touw. De schipper grijpt echter vliegensvlug naar een klaarliggend snijmes en hakt op de nylonkoord in. Zijn boot valt met een luid plons in het wegzakkende sluiswater. We reizen om te leren, dus voortaan is het de taak van Moeke om in elke sluis stand-by te staan met een breekmes. Ze vat haar opdracht misschien iets te ernstig op, want voortaan staat ze spiedend op de achtersteven naar volgens haar té gespannen koorden en meermaals kunnen we er haar ternauwernood van weerhouden om een van onze nylonkoorden nodeloos te vernietigen.

We varen langs het 'Epanchoir de Foucaud', een soort kanaaloverloop, die de plaats aanduidt waar het oorspronkelijke kanaal naar het noorden afboog om voorbij Carcassonne zijn huidige loop te hernemen. Enkele jaren lang aanschouwden de stedelingen met lede ogen het drukke transport op het nieuwe kanaal. Elk schip dat de stad links liet liggen betekende immers verloren inkomsten. Maar de enige oorzaak van deze gang van zaken was de stad zelf, omdat ze had geweigerd bij te dragen tot de financiering van het kanaal, zodat de architecten de stad links hadden laten liggen. In 1787 besloot het schepencollege alsnog tot de aanleg van een 'bypass'. De Franse Revolutie vertraagde het proces, maar in 1810 werd het nieuwe stuk ingehuldigd, dat het oude kanaal over vele kilometers verving.

We meren aan in het nieuwe stadsgedeelte van Carcassonne, waar het waterniveau zo'n tien meter beneden dat van de omliggende straten ligt. Vake is niet geheel voorbereid op de 'landing', want hij valt van de boeg, gelukkig zonder blikschade. Het kost sommige leden van de bemanning iets meer moeite om de helling te beklimmen dan andere, wanneer we op pad gaan naar de 'Cité' van Carcassonne. Dat is een intact gebleven Middeleeuwse vestingstad, die eeuwenlang verstevigd werd met bijkomende verdedigingsgordels.

Je wordt er teruggeflitst in de tijd, op de miljoenen toeristen na in te strak zittende fluo fietsbroeken en de tientallen souvenirshops met plastic zwaarden en schilden. We eten op het terras van een restaurant dat zijn bestaansreden vindt in het serveren van ondermaats voedsel aan een bovenmaatse prijs. De terugtocht is lang en de atmosfeer is heet en klam, met als apotheose een memorabele afdaling naar de rivieroever, waarbij iedereen een volstrekt eigen techniek hanteert. Staan voortaan in ieders geheugen gegrift: het stijlloze handen-en-voeten-werk van moeke en het achterwerkgewijze schuiven van Mamy. Om middernacht breekt in de verte een hels onweer los en begint het te regenen, een etmaal lang.

 

Maandag

's Morgens blijken Moeke en Vake in bed gewaterd te hebben! Maar het kan ook een lek in het dak geweest zijn, natuurlijk. Om negen uur brengen we ons dieseltje tot leven en varen we door de sluis van de haven van Carcassonne. In de scherpe bocht die volgt, verplicht een vrachtschip Wim tot stuurwerk van de hoogste plank in de stromende regen zonder ruitenwissers. Maar de Italianen op hun luxejacht hebben het niet veel beter: zij hebben wel een ruitenwissertje, maar dat is piepklein en moet bovendien met een hendeltje van binnenuit bediend worden. Dan nog liever geen ruitenwissertje...

We tuffen in de regen verder, gezellig keuvelend rond de koffietafel. De drie sluizen van Fresquel, waar het kanaal zijn oude bedding hervindt, zullen Annemie heugen. Jana staat na de eerste sluisgang nog aan wal met de koorden en Wim talmt wat met het fotoapparaat aan de andere sluiskade, zodat het schip zonder schipper in de sluis dobbert. Er zit voor Annemie dan ook niets anders op dan zelf het roer in handen te nemen en als een volleerd stuurman (-vrouw?) onze Atlantic in de tweede sluiskom te loodsen. Dat anderzijds een ervaren schipper soms fouten maakt, blijkt wanneer de Engelsman naast ons dwars komt te liggen in de derde sluis en hiermee de nodige commotie veroorzaakt.

Aan de sluis van l'Evèque zetten we Vake met zijn fiets aan wal om brood te halen. We hebben echter zelf wat oponthoud bij de volgende sluis van afspraak. Maar daar ontdekken we aan de andere bermkant een wijngaard! We leggen de schuldgevoelens aan de kant en eten ons buikje rond. Een flesje minder wijn zal de wijnboer wel overleven zeker? Even voor Trèbes staat Vake aan de kant te zwaaien. Hij reed zo'n twintig kilometer door het landschap zonder een bakker te vinden, tot hij plots een bestelwagen kruiste van een ... bakker! We snappen snel waarom de man zelf zijn brood rondbrengt, want het is behoorlijk taai met een soortgelijk gewicht van een kanonskogel.

Even verder leggen we 's middags aan in Trèbes, waar we brunchen en gratis onze watervoorraad van 350 liter aanvullen. Onze timing kan wel wat beter, want we komen pas om kwart voor één aan bij de driedubbele sluis van Trèbes: weer net in het lunchuur van de sluiswachter. De ontdekking van een coöperatief wijnhuis naast de sluis verguldt de pil met vijf liter wit, vijf liter rood en vijf liter rosé.

Tussen Villepinte en Millegrand springt Wim even op de kant om nog wat druiven te plukken en vervolgens negen kilometer zonder sluis! Maar dat is te vroeg gejuicht, want 1 enkele, 2 dubbele en 1 driedubbele sluis volgen elkaar in ijltempo op. Tenminste, dat zouden ze doen in ideale omstandigheden. Nu valt de regen echter met bakken uit de hemel en is het verkeer 'druk' met vijf boten voor ons.

In de driedubbele sluis van Fonfil met haar negen meter verval, openen de hemelsluizen zich volledig en een ware wolkbreuk stort zich uit over ons, zodat degenen die aan wal staan licht onderkoeld geraken. Annemie illustreert op onovertroffen wijze het effect van een eenvoudig T-shirt gecombineerd met koude regen: het valt ons op dat de manoeuvres van de omliggende schippers plots veel minder gecoördineerd verlopen. Pas dan krijgen we Jana in het oog, die in dezelfde kleding is gaan joggen en niet wil onderdoen voor Annemie.

En weer liggen we zij aan zij met de beruchte Italianen, die varen zoals ze auto's maken: nonchalant en gespeend van elke verantwoordelijkheidszin. Ze zwiepen vervaarlijk heen en weer en draaien stuurloos alle kanten op. De touwen gebruiken ze niet, omdat die dan toch in de kortste keren in een Gordiaanse knoop geraken, als ze al niet aan het verkeerde eind staan te trekken. Meesmuilend kijken we toe hoe ze zich, afduwend met de scheepshaak vooraan en de twee dekzwabbers achteraan doorheen de sluisdeuren murwen. Die beginners toch!

Op weg naar een overnachtingplaats bij Puichéric, brengt een kop kippensoep ons weer bij ons positieven. Het regent niet meer als we aanmeren bij een bruggetje, maar Wim besluit deze regendag op gepaste wijze door te proberen het achteraan wegdrijvend schip tegen te houden vanop de kant. Hij vormt hierbij tenslotte een levende brug, die even later bezwijkt en met luid gedruis in het water stort. Afgemat door het aanhoudende regenweer van vandaag, besluit we te eten op de boot: de rijst met tonijn smaakt beter dan ooit.

 

Dinsdag

De waterellende van gisteren is onmiddellijk vergeten als de zon zich als een gouden bol boven de dubbele platanenrij hijst. Eén van onze reisboekjes gidst ons naar het centrum van het middeleeuwse en daardoor pittoreske Puichéric, waar het marktdag is. Maar die is op maat van het gehucht met welgeteld één marktkramer die er verdacht uitziende charcuterie verkoopt.

Rond de middag varen we nabij La Redorte over het 'Epanchoir d'Argentdouble' en driehonderd meter verder over het gelijknamige aquaduct. Het 'Epanchoir' is een ronduit prachtige kanaaloverloop van elf bogen en het aquaduct leidt het kanaal over de Argentdouble-rivier.

De talrijke aquaducten van het Canal du Midi voorkomen dat een plots aanzwellende rivier het kanaal zou overstromen en tonnen slib zou afzetten, waardoor het kanaal tijdelijk onbevaarbaar zou worden. De Argentdouble verwoestte in de eerste winters uit het bestaan van het kanaal zo meermaals de waterweg, tot de bouw van de kanaalbrug in 1688 hier een einde aan maakte.

In de namiddag kruisen we maar een paar keer een sluis, zodat we de lokale krant kunnen lezen. En die brengt wel erg spectaculair nieuws! Het onweer dat ons zondagnacht te Carcassonne wekte, heeft lelijk huis gehouden in de streek waar we nu voorbijvaren. In een straal van vijftien kilometer rond Homps en Argens-Minervois barstte het in alle hevigheid los en zette het hele gebied blank. Het noodweer kwam zo plots opzetten, dat zelfs de machtige kanaaloverlopen de vele kubieke meters niet konden slikken. Miezerige riviertjes veranderden in enkele minuten in kolkende bergstromen, die grote happen uit de oevers sloegen. Het aquaduct van Ognon, pas gebouwd honderdvijftig jaar na de aanleg van het kanaal, zal zeker zijn diensten bewezen hebben. Toch steeg het waterpeil in Homps nog anderhalve meter in een kwartier. De krant meldt dat het tachtig jaar geleden was dat dit gebeurd was en de gevolgen zijn dan ook navenant. Plezierboten van slapende collega's die ons vlot voorbijgevaren waren, werden op de oever geduwd en bleven daar achter toen het water even plots weer wegzakte als het gestegen was. Zo kapseisden er enkele, zodat de opvarenden uit hun bed tuimelden en zich tussen het huisraad door uit hun kajuit moesten wringen. Voor één keer waren wij eens niet op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.

Wim neemt bij de sluis van Homps resoluut het verkeerde besluit door de grote fiets en de twee kinderfietsen aan land te zetten om met Alexander en Maarten een eindje over het idyllische jaagpad te rijden. Maar de drie kilometer tot de sluis van Pech Laurier zijn er drie van modder, plassen, afgebroken takken en omgewaaide bomen. Maarten valt van zijn fiets, begint moedeloos te huilen en is pas na veel gesputter weer in gang te krijgen. Alexander loopt zo rood als een pioen aan en trapt zich de ziel uit het lijf(je) met zijn kleine verzet. Eenmaal op de boot werpen we de modderfietsen in het kanaal. Weliswaar na er een touw aan vastgeknoopt te hebben om ze weer op te vissen.

Ons trouwe kanaalgidsje leidt Wim en de kinderen net voor de sluis via een door braamstruiken overwoekerd zeventiende-eeuwse trapje naar een anderhalve meter laag tunneltje onder het kanaal. Indrukwekkend, maar je zou er claustrofobisch van worden.

Bij de anders zo rustige sluis van Pech Laurier is het nu een drukte van jewelste. De sporen van de storm worden er opgeruimd: als lucifers afgeknapte cipressen, een beschadigd sluismechanisme en een moestuin, waarvan de tomaten en de pompoenen nu waarschijnlijk voorbij Béziers drijven.

Verdorie! Daar zijn die sukkels weer, die ons ophouden met hun zigzagtempo van vijf per uur. Wanneer ze wat later even moeten wachten bij de sluis van Argens, slagen ze er door hun stuntelige besturing in een koppeltje in een kano te overvaren, die niets vermoedend bij de oever op adem komen. Spektakel !

We leggen aan bij Paraza, waar Moeke tot de ontdekking komt dat ze tot hiertoe aan de ultieme preventieve zonnebescherming heeft gedaan door zich te vergissen van potje. Zo heeft zij zich dagenlang met 'après-soleil' ingesmeerd voor het zonnebad. In het dorp vinden we het restaurantje 'La Baracca' dat, zoals de naam laat vermoeden, een omgebouwde barak is. De 'coq au vin', de eendenfilet en de lamskoteletjes smaken dan ook allemaal hetzelfde, maar de ambiance maakt veel goed.

Het onheil slaat echter toe wanneer Alexander en Maarten samen naar het toilet gaan, een FRANS toilet wel te verstaan. Na ruim een half uur horen we een stemmetje: "Mama, kom eens ... maar alleen mama!" Jana en Wim gaan op verkenning en treffen Dantes inferno. Door een slechte 'gehurkte k**techniek' is alles in hun onderbroek en broek beland. In hun pogingen om het een en ander recht te trekken, geraakten ze van de regen in de drup. K** tegen de muur, k** voetsporen op de grond ... k** hier, k** daar, k** overal ! De reddingsoperatie door Wim en Jana loopt aanzienlijke vertraging op door niet te stuiten lachsalvo's, die alle hoofden in het restaurant meermaals verbaasd richting gesloten wc-deur doen draaien. Er zit niets anders op dan de besmeurde broeken en onderbroeken in een bolletje te wikkelen, wat dan weer tot een lichte hysterieaanval van Maarten leidt. Met hun T-shirt tot over hun knieën getrokken, verlaten we in ganzenrij het restaurant . Op onze boot drinken we er nog een glas op bij het geflikker van de petroleumlampjes en besluiten de kinderen te herdopen tot K1 en K2.

 

Woensdag

We ontbijten al varend over de smalle kanaalbrug van Repudre en leggen om half tien aan bij Ventenac-en-Minervois. De kinderen vermaken zich in het rudimentaire speeltuintje en wij bezoeken intussen het wijnmuseum van het 'Château de Ventenac'. Geen betere plaats voor Annemie en Wim om getrakteerd te worden voor hun negende (burgerlijke) huwelijksverjaardag.

Het is nu twee dagen rustig tuffen: de sluis van Argens gisteren luidt immers een 'sluisloos' stuk in van 54 kilometer. In de late voormiddag bereiken we Le Somail, het meest pittoreske kanaaldorpje: stoffige straatjes, okergele huisjes en sloffende oudjes. Le Somail dankt overigens zijn bestaan zelf aan het Canal du Midi, waar het de derde slaapplaats was voor de reizigers van Toulouse naar de Middellandse Zee. Het bruggetje in de vorm van een ezelsrug zoals overal elders aan het kanaal, is hier alleraardigst. Ernaast werd de kapel voor de reizigers half over het water gebouwd en staat de enige overgebleven ijskelder van het kanaal, die de herbergen bevoorraadde op hete zomerdagen.

Er is een tweede unicum, van recentere datum: een antiquariaat van boeken, prentkaarten en affiches. In een als een bibliotheek ingerichte ruimte zijn meer dan dertigduizend titels uitgestald over twee etages: een waar mausoleum van het verzamelaarboek.

Even verder varen we met een kanaalbrug over de Cesse-rivier, die parallel met het Canal de Jonction naar het zuidelijker gelegen Canal de la Robine loopt, waar hij uitmondt in de Aude. De 'Pont-Canal de Cesse' is nog een van die meesterwerkjes van de kanaalbouwers uit 1690. Zij is 64 meter lang en kruist de Cesse 20 meter boven de rivierbedding. Even ervoor de overloop van Patiasses, simpelweg een stenen muur met zes gaten, voorzien van regelbare schotten.

Wim wil een foto nemen van de boot die over de kanaalbrug vaart en ontdekt zo een keienstrandje van de Cesse. De anderen, die water tanken bij een herberg, worden verwittigd en dalen even later ook af, gewapend met ons dekzeil, borden en bestek, een gemengde salade en wijn. De hele namiddag is het zalig plonzen in het kristalheldere rivierwater, springen van een van de brugpilaren en ravotten in de stroomversnellingen. Die avond is de Cesse bovendien een met keien gebouwde 'Barrage de Belgique' rijker.

Rond 6 uur gaat het verder: Vake stuurt en snoeit ijverig alle overtollige struikgewas tot in Argeliers, waar aangemeerd wordt. Op het menu van vanavond staat spek met eieren met stokbrood. Moeke en Vake ontfermen zich over het eerste deel, terwijl Annemie en Mamy in de brandende zon op broodjacht trekken. Bij de bakker oversteeg de vraag echter het aanbod, zodat de culinaire plannen noodgedwongen gewijzigd worden. Het gaat verder over het meanderende kanaal, perfect geschikt voor de zigzagstijl van testpiloot Maarten. Tien kilometer verder, een uurtje dus, leggen we aan bij kilometerpaal 181, waar we ons klaarmaken voor een chic diner in een restaurant aan de kanaalboord. Maar het culinaire noodlot slaat een tweede maal toe: de tafels zijn allemaal (alledrie) gereserveerd. Er zit dus niets anders op dan weer aan boord te klimmen en naar het 1 uur verder gelegen Capestang te varen. Het kanaal toont zich nu op zijn mooiste en spiegelt zijn dubbele platanenrij in het rimpelloze water.

Capestang is een vroeger havenstadje dat erg populair is bij pleziervaarders. Zoals de vorige nachten leggen we aan vele honderden meters van andere boten, aperitieven in het avondrood en trekken over het jaagpad via de kleine haven naar het centrum toe. We belanden bij de 'Cave Cros', een wijnhandelaar die ook restaurant houdt op een schilderachtige binnenplaats onder een reuzengrote plataan: het lijkt wel in scène gezet voor een schilderij van Cézanne. Het menu is echter iets minder origineel: het lijkt wel alsof één en dezelfde drukker één typemenu gedrukt heeft voor alle eetgelegenheden van de kanaalstreek, dat gepersonaliseerd kon worden door de papierkeuze. We weten al blindelings dat er als voorgerecht een paté of een gemengde salade te krijgen is en dat voor het hoofdgerecht kan gekozen worden uit lamsribbetjes, coq-au-vin, varkenskotelet en eendefilet. Je zou er helderziende van worden en grof geld verdienen. Dit wijnhuis moet wel masochistisch ingesteld zijn, want het serveert ab-so-lu-te fluitjeswijn. Bier is er natuurlijk ook niet te krijgen: de heiligschennende gedachte alleen al!

We ronden de zwoele avond af met het bewuste pintje op het gezellige marktplein bij de kerk en keren via een net iets te grote omweg terug naar onze Atlantic.

Om middernacht is het nog altijd 28 graden en worden we belegerd door horden steekgrage muggen. Die nacht wordt er dan ook bitter weinig geslapen, maar des te meer heen en weer geijsbeerd aan boord. Wim zoekt soelaas voor de hitte in de leefkamer, waar Mamy en Jana 's nachts resideren, terwijl Mamy zichzelf in een bolletje rolt buiten op de plastic bank. Iedereen is gehuld in een wolk van citronellaolie en muggenmelk. De laatste klokslag die gehoord wordt, is die van half vijf 's morgens. De volgende avond zullen we dan ook alle ruitjes afplakken met meegebracht muggengaas, die ons verder zal behoeden voor het vliegend gespuis.

 

Donderdag

Met het ontbijt achter de kiezen tuffen we richting Poilhès, volgens het toeristisch infobordje langsheen het kanaal, een 'Gallo-Romeins' dorp. Maar meer dan een verloren zuil en een verweerde buste ontdekken we niet. De hitte slaat onze vermoeide lijven tegen het kokende asfalt en we rusten onder de in 1608 aangeplante boom, waaronder de schepenbank bijeenkwam als het weer het toeliet. We nemen aan dat hiermee bedoeld wordt: 'als de warmte het toeliet'.

Het kanaal slingert zich vanaf hier tussen de plooien van de Ensérune-heuvel, waar tweehonderdvijftig jaar geleden een kwart kilometer van het kanaal bedolven werd onder de instortende heuvelflank. Even verder meren we aan net voor de 'Tunnel de Malpas', waar het kanaal zich door de Ensérune boort, 165 meter lang, 8 meter hoog en breed. Hier werd immers geen gebruik gemaakt van een sluizenstelsel om een berg te omzeilen en zo ontstond hier in 1679 de eerste kanaaltunnel ter wereld. In 1855 boorde men overigens twee meter lager nog een kruisende spoorwegtunnel.

Een derde, smalle pijp die dateert uit 1247 (!), is meer dan een kilometer lang. Deze laatste fungeerde als afvoerkanaal voor de drooglegging van de 'Etang de Montady'. Wat daarvan overblijft, is een spectaculair wagenwiel van vele hectaren groot: een geometrisch patroon van kanaaltjes, die het water naar een centraal reservoir voeren en vandaar doorheen de heuvel naar de Vijver van Capestang. We krijgen een prachtig zicht op deze immense stralende zon, wanneer we de heuvel opklimmen naar het 'Oppidum d'Ensérune'. Doordat deze heuvel zich 120 meter boven de vlakte van Béziers verheft, werd hij al bewoond vanaf de zesde eeuw voor Christus. Na de verwoesting van de nederzetting in de derde eeuw voor Christus door de legers van Hannibal, verrees het dorp als een feniks uit zijn as. De Romeinen bouwden de stad volledig uit met geplaveide wegen, watertanks en rioleringen. In haar gloriedagen woonde het ongelofelijke aantal van tienduizend mensen op het oppidum. Door de rust van de Pax Romana van de eerste eeuw na Christus konden de stedelingen zich weer vestigen op de laagvlakten, zodat het Oppidum zonder bron volledig verlaten werd en nooit meer herbevolkt werd.

Al wandelend door de blootgelegde delen van het oppidum krijgen we een goed inzicht in de diverse antieke bouwstijlen. Zo heeft elk huis zijn eigen ingegraven gigantische kruik, dolium, waarin de levensmiddelen bewaard werden. De temperatuur schommelt hier echter rond de 35 graden, zodat de meest archeologieminnende bezoeker wel ontmoedigd zou geraken. We laten ons dan ook van de heuvel rollen en duiken beneden meteen in het kanaal.

We blijven nog een paar uur liggen en wanen ons aan het andere einde van de wereld, zo stil is het. Geen auto, geen boot, geen fiets, geen vogeltje ... niets. Maar wèl een wijngaard met de heerlijkste dikke blauwe druiven, waar we ook nu weer meedogenloos toeslaan.

Rond zes uur toeteren we als gek voor we de kanaaltunnel invaren, die slechts eenrichtingsverkeer toelaat. Even verder, in Colombiers, slaan we in het supermarktje hectoliters koud bier in en de ingrediënten voor het avondmaal: 'Salade aux Lardons' vooraf, gevolgd door macaroni bevloeid met de nodige wijn.

Het kanaalstuk tussen Colombiers en Gourgasse is werkelijk betoverend: de platanenrijen aan weerskanten nijgen pas hoog boven het water naar elkaar toe en vormen zo een groen hemeldak, waaronder het heerlijk varen is.

We leggen aan enkele kilometers voor Béziers en ontdekken een voetbalveld achter de kanaalberm. Een partijtje voetbal op de door termieten bezette grasmat, een frisse duik in het kanaal, avondeten en met een nachtmutsje naar de kajuiten toe. En het wordt deze keer een rustige, koele, muggenloze nacht.

 

Vrijdag

We vertrekken om acht uur om zeker bij de eerste sluisbeurt van het sluizenstelsel van Fonsérannes te zijn: zeven sluizen op een rij, die beurtelings stroomopwaarts en -afwaarts versassen. Ernaast een Franse uitgave van het Hellend Vlak van Ronquières, bedoeld om eerlang de sluizenrij te vervangen. Helaas heeft het ding nooit naar behoren gewerkt, zodat het al snel in onbruik geraakte, een financiële put én schandaal voor Béziers achterlatend.

We liggen in een korte wachtrij tot een schaamteloze collega aan volle snelheid voorbijzoeft en voor ieders verbouwereerde gezichten in de eerste sluis duikt en ons hiermee verwijst naar de derde groep. Ach wat, we hebben de tijd en maken ons al lang niet meer druk! Ons groepje van vier boten is geroutineerd, zodat de zeven sluizen op een half uur gepasseerd zijn. Toch nog even een bang moment voor de Fransen achter ons, die met de boeg blijven hangen op de sluismuur en pas met het nodige duwen en trekken neerploffen in het dalende sluiswater.

Onderaan gaat het scherp naar stuurboord, waar een prachtig 240 meter lang aquaduct ons over de Orb-rivier leidt en in een recente sluis, die ons in één klap zes meter lager brengt en ons even Lilliputters laat voelen. We leggen aan in de nieuwe haven van Béziers en trekken te voet de stad in. We ontdekken al snel dat ze op een niet onaardige heuvel gebouwd werd, waar je tegenop geleid wordt via een schier eindeloze trappenrij van 120 treden.

We hadden ons bezoek aan Béziers niet beter kunnen plannen! Slechts uitziend naar de wekelijkse marktdag, belanden we er net op 15 augustus: de hoogdag van de jaarlijkse stadsfeesten of 'Féria'. Het is een gigantische pensenkermis, met honderden kleurige drank- en eetstalletjes, toeterende fanfares en bandjes en feestende Languedociens.

We kijken onze ogen uit en staan even later, middenin het feestgedruis, voor het standbeeld van Paul Pierre Riquet. Hij is het die onze reis mogelijk maakt, want het is zijn wilskracht die uiteindelijk leidde tot de bouw van het Canal du Midi. Het verlangen om de Atlantische Oceaan met de Middellandse Zee te verbinden, leefde al lang. Zo zouden de streken rond de Romeinse 'Mare Nostrum' eindelijk over het water handel kunnen drijven met de Franse westkust, de Nederlanden en de Scandinavische landen, zonder telkens rond Spanje te moeten varen. Bovendien kon Frankrijk dan in enkele dagen zijn oorlogsvloot van West naar Oost (of vice versa) overbrengen en zijn soevereiniteit tegenover Spanje onderstrepen. Tenslotte speelde nog het kostenplaatje van transport over water versus over land. Eén paard kan immers 100 kilogram dragen, 1.000 kilo voorttrekken op een kar, maar 60.000 indien geladen in een schip.

Een onoverkomelijk probleem bleef echter de Naurouze, die met zijn 190 meter de wateren van de Atlantische Oceaan van die van de Middellandse Zee scheidde. Daar was eenvoudigweg geen water om de twee rivierstelsels met elkaar te verbinden. Riquet herinnerde zich echter het principe dat vele kleintjes één groot maken en bedacht het plan om het water van de vele bergriviertjes van de 'Montagne Moire' af te leiden naar de top van de Naurouze, waar het zou uitmonden in een nieuw kanaal. Zo was het idee voor het Canal du Midi geboren en Riquet legde in 1662 zijn plannen voor aan Colbert (van het gelijknamige jasje!), minister van Louis Quatorze, de Zonnekoning. De raadsmannen van de koning blijven echter sceptisch over de praktische haalbaarheid van het ambitieuze project en pas op 1 januari 1667 volgt de eerste spadensteek. Veertien jaar lang werken tien- tot vijftienduizend arbeiders aan het kanaal, slechts gewapend met spade en kruiwagen. Riquet betaalt zelf een derde deel van de kost, meer dan vijf miljoen pond, waarvoor hij hoogrentende leningen moet afsluiten en de bruidsschatten van zijn dochters moet opofferen. Hij sterft, totaal uitgeput in 1680, een half jaar voor de opening van 'zijn' kanaal. Pas bij de aflossing van hun schuld in 1724, krijgen zijn nakomelingen er een beetje winst uit.

Maar het kanaal ligt er: 240 kilometer lang tussen de Garonne in Toulouse en de nieuw gebouwde haven van Sète aan de 'Etang de Thau'. Het heeft niet minder dan 91 sluizen van vijf en een halve meter breed, is gemiddeld twintig meter breed en twee meter diep. Zo kon men voortaan in elf dagen van West naar Oost (of omgekeerd) reizen op een zekere en veilige manier.

Het 'Canal des Deux Mers' bracht dan ook grote welvaart aan de streken die het ontsloot en vervoerde jaarlijks meer dan honderdduizend passagiers en honderd miljoen kilometrische ton goederen. Het kanaal wordt in 1898 door de staat aangekocht en in 1935, na 250 jaar van paardenkracht, verschijnen de eerste mechanisch aangedreven binnenschepen. Maar de steeds groter wordende boten passen niet langer in de sluizen en de vele scherpe bochten van het kanaal en in 1979 verdwijnt het laatste vrachtvaartuig. Nogal wat van de afgedankte aken worden dan omgebouwd tot hotel- of woonboten. In 1997 tenslotte wordt het kanaal door de UNESCO tot wereldpatrimonium van de mensheid uitgeroepen, omwille van zijn unieke cultuurhistorische waarde en wordt de drie eeuwen oude waterweg definitief van verval gevrijwaard.

Voorbij Béziers is er bijna geen verkeer meer op het kanaal, zodat het lekker relaxed varen is. We nemen de sluis van Ariège, waar Annemie haar man net voor is om de sympathieke, jonge sluiswachtster een fooi in de hand te stoppen.

We meren aan bij Villeneuve-les-Béziers, waar een pizzeria langs het kanaal lonkt voor het avondeten. Maar de geschiedenis herhaalt zich, want dit restaurantje is volzet. Maar een paar honderd meter verder lokt een lokale openlucht eettent met kleurige lampionnetjes argeloze voorbijgangers/vaarders. Zo belanden we in het 'restaurant' van een camping ... Hier geen gerommel met gekende menu's, maar 1 gerecht + apero aan de democratische prijs van 55 FF. Opgediend op plastic bordjes en bekertjes aan dito tafels en stoelen. Maar het stoofvlees met pasta is verrukkelijk en wordt overgoten met genoeg ... meer dan genoeg tafelwijn.

Alexander en Maarten amuseren zich met de flipperkast en de biljarttafel en huppelen even later over de dansvloer waar een discobeat het ritme aangeeft, gevolgd door ons nagenoeg voltallige gezelschap. De reusachtige stoofvleesschotel voor onze tafel wordt zowaar opgediend door een man van de wet. Het is de goedlachse 'gendarme municipal' die de tafels afschuimt en de campinggasten entertaint! Bij onze buurtafel wordt hij in de kortste keren bevrijd van zijn schouderinsignes. Zijn laatste kleinood, de officiële borstpenning, besluit hij dan maar zelf te verloten. De hele scène lijkt zo weggeplukt uit een film van Louis de Funès en zijn gendarmes.

Kortom, het is een geslaagde avond, die Mamy afsluit met de nodige capriolen, wanneer ze op de boot probeert te klauteren. Ze stuikt hierbij tussen wal en schip, wordt net opgevist en balanceert dan een tijdje schrijlings op de zijwand van het schuifdak. Intussen liet ze kans niet liggen om haar elleboog te sieren met een jaap van een snee. Wanneer iedereen uitgehikt is van het lachen, volgt de welgekomen nachtrust.

 

Zaterdag

Op weg naar Port Cassafières, waar we onze Atlantic 6 noodgedwongen zullen omruilen voor de Atlantic 9. Maar niet zonder bij de forelkwekerij bij Cers te stoppen, waar een kilo extragrote rivierkreeftjes gekocht wordt. Die worden zonder veel omhaal in het ziedende water gegooid en worden 's namiddags opgesmuld.

De laatste sluis, die van Portiragnes, nemen we met de nodige zwier gecombineerd met fijne stuurmanskunst om de horden fietsende toeristen die bewonderend de sluisgang gadeslaan, waar voor hun geld te bieden. We vullen de dieseltank bij het binnenvaren van de thuishaven van Crown Blue Line, waar Wim -tweemaal- achterwaarts aanmeert in het nauwe dok. Oefening baart kunst, heet dat.

De Fransen verrassen ons met het goede nieuws dat de Atlantic 9 al klaar is en even later ligt hij langszij, zodat het overladen een koud kunstje is. De vuile was gaat alvast de koffer van de overgebrachte Audi in, die zich spontaan vult met een heerlijk parfum. We bekomen van de inspanning op het terrasje en verslikken ons in ons pintje, dat hier 16 FF kost.

Maar de nieuwe boot is nog een stuk gerieflijker dan de vorige: ofschoon van buiten identiek, werd binnenin meer met de beschikbare ruimte gewoekerd. De kleinere badkamer resulteert in een leefruimte die maar eventjes tachtig centimeter langer is, waardoor er plaats is voor een speciale stuurmanstoel. We hebben nu ook zo'n belachelijk handbediend ruitenwissertje, ja zelfs een kompas, seinvlaggetjes en vuurpijlen! Nog maar net de haven uit, moeten we al meteen rechtsomkeer maken om het vergeten logboek op te halen. Dat vormt de basis voor dit reisverslag, dat steeds met enkele dagen vertraging neergepend wordt.

We varen met een slakkengangetje door de kanaalbouwwerken bij de Libron-rivier. Omdat het hoogteverschil met de Middellandse Zee hier maar 3 meter meer bedraagt, kon de Libron destijds niet overbrugd worden met het gebruikelijke aquaduct. Daarom werd gekozen voor een deurenstelsel, waardoor de wassende rivier het kanaal kon dwarsen via 2 nauwe doorgangen en zo geen kans kreeg om slib af te zetten. Door de rivier beurtelings door een van de twee doorgangen af te leiden, moest de scheepvaart op het kanaal zelfs niet stilgelegd worden. Simpel maar ingenieus.

We leggen aan net voor de sluis van Agde en trekken de 'zwarte stad' in, waar vele gebouwen opgetrokken werden met de lokale zwarte lavasteen. Flanerend in het centrum verrast een zeer hevig onweer is, waardoor we Mamy en Moeke kwijt geraken. Als de storm een half uurtje later weer geluwd is, keren we terug bepakt en gezakt met hoofdzakelijk bier. De 16 FF van daarstraks zijn nog niet echt verteerd en zijn in de supermarkt tien pintjes waard! Wim gaat met de manifest op zoek naar de verloren schapen en vindt hen gezellig keuvelend bij een koffie op een overdekt terras. We zijn overigens in de storm nog iets anders kwijtgeraakt: de twee nagelnieuwe stoffen luchtmatrassen, die ongebonden op het bovendek lagen. Een speurtocht aan weerszijden van het kanaal kan ze niet terugbrengen.

Door al deze peripetieën zijn we 's avonds te moe om naar het gereserveerde restaurant te trekken en smaakt de puree met steak des te beter. 's Nachts zorgt een verdacht rammelend geluid in het vooronder nog voor de nodige opschudding, want Mamy vreest dat het de pomp is die aanslaat als de boot water maakt. Het blijkt echter de ingepakte wekker van Jana te zijn...

 

Zondag

's Morgens zitten we rustig te ontbijten, als het groene sluislicht plots aanfloept en de sluisdeuren zich openen. De sluis van Agde is uniek, omdat ze min of meer rond is met extra uitsparingen aan drie kanten. Er komen immers drie kanalen samen op drie verschillende niveaus: het Canal du Midi naar Béziers (waar wij vandaan komen), het verbindingsstuk naar het Bassin de Thau (waar we naartoe gaan) en het kanaal naar de zeehaven van Agde. De sluis is zo groot dat je er in kan rondvaren, maar daar steekt de potige sluiswachterin dan zeker een stokje voor. De capriolen van de nieuwbakken kapiteins achter ons brengen haar in een verhoogde staat van paraatheid, wanneer ze op haar vingers fluit om vanaf de wal haar bevelen te schreeuwen. Voor de eerste keer sinds ons vertrek ruim een week geleden, stijgen we 44 centimeter, zodat we 800 meter kunnen varen over de brede Hérault-rivier, om dan rechtsaf te slaan door een wachtsluis weer het Canal du Midi in.

Iets na tienen nemen we de laatste sluis, die van Bagnas, met een zielig verval van anderhalve meter. Maar het is passen en meten om er weer uit te geraken, omdat de sluiskom eivol zit met de vier grote plezierboten.

Enkele kilometers verder komen we erg dicht bij zee. Althans op het plan, want de vier kilometer naar Marseillan Plage lijken wel een marathon lang in de tropenzon. Marseillan Plage is Benidorm in het kwadraat, maar het strand is wit, de zee warm en de meisjes mooi en in verregaande staat van ontkleding (dit geldt niet voor de jongens, zo melden Jana en Annemie). We verbranden hier dat het een lieve lust is, maar zeker niet zo erg als de zonneklopster naast ons, die voor het eerst in een G-string ligt te braden. De maagdelijk witte anatomische delen van haar achtersteven transformeren dan ook snel in paarsrode kaken. Tja, 'wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten', nietwaar? 's Avonds is het overigens ook op de Atlantic insmeren geblazen: vraag maar aan Jana!

Onderweg eten we bij een visrestaurant, zodat we 's avonds netjes aangemeerd kunnen blijven en nog vanop het bovendek kunnen genieten van het vuurwerk, dat afgeschoten wordt in het even verderop gelegen pretpark.

 

Maandag

We worden 's morgens in een verschrikkelijke reuk wakker. Snel wegwezen is dan ook de boodschap en met een glinsterend meer aan stuurboord komen we bij het einde van het Canal du Midi. Op de voorbij acht dagen hebben we 185 kilometer afgelegd en zijn we 160 meter gezakt. Bij de Pointe des Onglous, een nu grotendeels verlaten haventje, varen we de 'Etang de Thau' op. Dat was ooit een baai van de Middellandse Zee, waarvoor de Rhône en de zeestromingen in de loop der eeuwen een smalle zandstrook afzetten. Griekse zeelieden kwamen in de baai aan land in de zesde eeuw voor Christus, stichtten onder andere Marseillan en Mèze en introduceerden er de wijnstok en de oesterteelt. De baai sloot zich onvermijdelijk verder en vormde zo de grootste lagune voor de kust van de Languedoc: 20 kilometer lang en 5 tot 8 kilometer breed. Het contrast van deze 'binnenzee' met het nauwe kanaal is groot. Indrukwekkend is ook het enorme aantal kwallen, waar onze boeg doorheen ploetert. Als tienduizenden plastic zakjes glijden ze onder en naast ons voorbij. Het lijkt 'l'Année des Méduses' wel: Wim grijpt meteen naar zijn verrekijker om Valérie Kaprisky op te sporen!

De eerste halte is Marseillan, waar we aanleggen bij de 'Capitainerie' in de binnenhaven.

De zon is alweer van de partij en beukt er genadeloos op los wanneer we naar Noilly-Prat wandelen. Volgt een interessante rondleiding in dit heiligdom van de wereldberoemde aperitiefdrank. Een basis van witte Languedoc-wijn, twee-en-een-half jaar rijping en tot 49 verschillende kruiden zijn nodig voor de bereiding van één van de drie variëteiten. Ook de afsluitende degustatie wordt gesmaakt.

Bij het afmeren pirouetteert Wim de Atlantic volleerd rond een meerpaal en zo gaat het weer het meer van Thau op. Het blijft wat raar dat je zowat kan varen waar je wil (met uitzondering van de kilometers grote oesterbanken in het noorden en de zuidelijke zandbanken). Wennen is het ook aan het kompas, vooral als het meer dan een uur duurt voor men doorheeft dat het verrekte ding blijft hangen, zodat de boot al die tijd resoluut de verkeerde richting uitgaat. In de verte zien we nogal wat andere huurschepen, die angstvallig in de 'Chenal de navigation' blijven varen, vlak onder de oesterbanken. Wij zorgen er simpelweg voor in water van minstens één meter diep te blijven en hebben zo het rijk voor ons alleen. Zo gaat het rustig verder, iedereen zit aan dek en geniet van de zon en de verkoelende wind, leest een boek of staart naar de verre oever.

Om Sète te bereiken mikken we op de hoge schouw van een industriegebied, tot we de grote rode en groene boeien detecteren, die ons binnenloodsen in de 'Etang des Eaux Blanches'. Sète zelf laten we links (rechts) liggen, wegens te druk, te slecht bereikbaar via de haven (met een brug die slechts driemaal per dag geopend wordt) en te hoge havengelden.

Een grote rode paal geeft het begin aan van het kanaal dat het onze wordt in deze tweede vakantieweek: het 'Canal du Rhône à Sète'. Dat verbindt merkwaardig genoeg de Rhône met Sète! Maar wat een tegenvaller als we ons de eerste kilometers door de stank van een olieraffinaderij moeten werken. Aanleggen in La Peyrade zit er ook al niet in, want dat blijkt in werkelijkheid een samenraapsel te zijn van verkrotte woningen en dito bewoners. Enkele clochards doen ons finaal van onze plannen afzien.

We tuffen verder naar Frontignan, de hoofdstad van de Muscat-wijn. Maar ook de stad waar ooit de eerste Franse installatie voor aardolieverwerking in gebruik genomen werd. We moeten daarom aanleggen naast de Esso-tanks, waar het wachten is op de opening van een lage kanaalbrug. Dat gebeurt slechts driemaal per dag en de volgende beurt is om half vijf precies. Mamy, Wim en Annemie struinen wat rond in het sympathieke stadje en staan om de afgesproken tijd paraat bij de ophaalbrug om hun vrienden op te wachten. Een schelle bel geeft het signaal, het brugdek verheft zich langzaam en de eerste ongeduldige schepen varen er al onderdoor. Nu moet onze Atlantic eraan komen, die net achter de kanaalbocht aangemeerd ligt! Even wachten, nog drie andere boten laten voorgaan. Langs de andere kant nog een laatkomer, die zwaaiend aan de brugwachter te kennen geeft dat hij ook nog wil passeren. En dat lukt, maar dan blijft alles verder stil: géén Atlantic 9!

Op een drafje lopen de 3 vruchteloos wachtenden naar hun boot, waar ze de rest van de bemanning treffen, die moedeloos staat te kijken naar de motor, die de geest gegeven heeft. Jana en Wim doen wat inspectiewerk, dat echter geen zoden aan de dijk brengt: de motor houdt het bij een akelig geknars. Er zit dan ook niets anders op dan met de GSM de Crown Blue Line thuisbasis op te roepen. De depanagedienst is er ruim een uur later al: blijkt het een defect contactslot geweest te zijn, resulterend in een dode batterij door het vele starten. De klus is snel geklaard. Helaas zal de reeds lang weer gesloten brug zich niet meer openen tot morgenvroeg om zeven uur... Wim en Annemie gaan dan maar de lokale wijnboer vijf liter van die heerlijke, stroperige Muscat-wijn kopen en er wordt gegeten aan boord. De Duitsers even verder verbroederen met Franse collega's en onderstrepen dit heuglijke feit door hun drie reddingsvuurpijlen af te schieten, gelukkig niet in onze richting. Om half elf zoeken we de bedstee al op, want het is morgenvroeg opstaan om half zeven om de brug te passeren.

 

Dinsdag

Halfzeven: wat een uur om wakker te worden voor Annemie en Wim op hun negende (kerkelijke) huwelijksverjaardag. Maar we halen de brug en varen verder naar Les Aresquiers. Het 'kanaal' bestaat hier uit een brede vaargeul, afgezoomd met een berm van nog geen meter hoog, temidden van het water van kleinere en grotere lagunes, waar men aan zoutwinning doet. Bij Les Aresquiers werd de in de vaargids vermelde bakker inmiddels al opgedoekt en is er bovendien een keienstrand, dus we varen een klein uurtje verder naar Maguelonne, waar een ponton een oversteek voor voetgangers vormt naar Villeneuve-lès-Maguelonne. Er zitten duizenden flamingo's, die hun buikje rond eten door de algenplaag, die in deze streken al een paar jaren heerst en nogal eens voor een onappetijtelijke geur boven het kanaal zorgt.

Maguelonne zelf heeft een onwaarschijnlijke geschiedenis van cyclisch bloei en verval. Het is gelegen op een bescheiden heuveltje van een meter of tien hoogte temidden de lagunen. Al twee millennia bewoond, wordt Maguelonne in de zesde eeuw de bisschopszetel. Twee eeuwen later wordt ze met de grond gelijk gemaakt door de heidense Saracenen, die even later zelf weer buitengekegeld worden door Karel Martel. Die laat het inmiddels herbouwde Maguelonne opnieuw verwoesten, om te verhinderen dat de haven, die dan nog in verbinding staat met de zee, opnieuw een aantrekkelijk doelwit voor de Saracenen zou vormen. Voorwaar een nogal drastische probleemoplossing.

Maar rond het jaar duizend herrijst een kathedraal op de plaats van de vroegere kerk en worden de stadswallen verstevigd. Tijdens de strijd tussen Rome en het Duitse Keizerrijk, vluchten de pausen meermaals naar Maguelonne, dat hierdoor in aanzien stijgt en verheven wordt tot hoofdbasiliek en tweede kerk na de Sint-Pieter van Rome! Intussen groeit Montpellier echter behoorlijk en trekt dit vele Maguelonnezen naar zich toe. In de godsdienstoorlogen valt Maguelonne beurtelings in handen van de katholieken en van de protestanten, zodat Richelieu in 1622 de hele stad ontmantelt. Enkel de kathedraal en het bisschoppelijk paleis worden gespaard. Wanneer het Canal du Rhône à Sète gebouwd wordt naast Maguelonne, worden grote stukken van die kathedraal alsnog verwijderd en gerecycleerd tot boordstenen van het kanaal. De stadsruïnes worden verzwolgen door de lagunes. Pas in 1852 koopt een particulier de kathedraal van Maguelonne en betaalt hij zelf de restauratie.

Het bezoek van de kathedraal is meer dan de moeite waard. Alleen al de unieke ligging ervan tussen zee en lagunes spreekt tot de verbeelding. Tot de cultuurschok wordt nog bijgedragen door de groene Michelin-gids, die ons via een nudistenstrand naar de ingang leidt. Jana wendt zedig de blikken af van de badminton spelende jongeheren. Daarna is het strandplezier geblazen op het zandstrand, terwijl Moeke en Vake met het -gratis!- toeristische treintje terugkeren naar het twee kilometer verder gelegen kanaal en uitrusten op de Atlantic 9.

Maar het noodlot zoekt weer zijn gekende slachtoffer, wanneer Wim in de voet gestoken wordt door een kwal. Hij acht het niet nodig naar de vijftig meter verderop gelegen hulppost te hinken, maar wordt hiertoe uiteindelijk gedwongen door Annemie, wanneer de pijn te hevig wordt. Daar aangekomen wordt de voet zonder verwijl een kwartier in heet water gedompeld. Wim is immers niet in een kwal, maar op een 'Vive' getrapt (het vertalende woordenboek leert mij dat het Nederlandse equivalent 'Pieterman' is), een driestekelig visje dat zich in het zand verschuilt en ogenblikkelijk een dosis venijn injecteert in onfortuinlijke voeten. Als waarschuwing hangt er bij de reddingspost een exemplaar in een plastic zakje. Water boven de veertig graden breekt het gif echter af, zodat er geen probleem is als je onmiddellijk ingrijpt. Helaas Wim, voor jou wordt het een dagje rondtrippelen...

Jana gaat op zoek naar een Vive om er ook haar voet in te planten en vervolgens verzorgd te worden door de knappe én sympathieke redder. Het geluk is helaas niet aan haar kant. Nochtans heeft Wim de toon gezet, want al gauw zit er een rijtje zorgelijk kijkende slachtoffers elk met hun voet in een heet emmertje bij de hulppost.

Rond vijf uur, wanneer Wim deze tekst tot hier bijgewerkt heeft, begint het te rommelen in de verte en kleurt de hemel donker van een zomeronweer. Een gunstige wind duwt het slechte weer echter naar het oosten, zodat wij gespaard worden. Het gaat terug met het gratis treintje naar 'ons' kanaal, waar even later de vlottende loopbrug gezwind openzwaait voor ons getoeter.

Enkele stinkende (de algen, nietwaar) kilometers verder verwacht Palavas-les-Flots ons, dat geruime tijd de enige badplaats van dit kustdeel was en waar het nog steeds goed toeven is. We besluiten om de riante binnenhaven niet in te varen, wat een excellent besluit blijkt. De boten liggen er immers zij aan zij, zodat er van vroeg gaan slapen of laat uitslapen niet veel in huis zou komen. De landing verloopt wat ruw, want er staat een sterke wind, die de achterkant steeds weer van de oever wegduwt. Een catamaran die op de motor vaart, heeft even verder minstens even grote problemen. Maar met wat extra getrek liggen we zo weer aangemeerd langs de kanaalkant, net voor de kruising met de Lez-rivier.

Een avondwandelingetje van een kilometer of twee brengt ons in het centrum, waar we ons installeren op het terras van een pizzeria. Vake eet hier de mosselen van zijn leven en lepelt de saus tot de laatste druppel op. Had hij gemogen van ons, hij had het pannetje uitgelikt. Met een bol buikje keren we terug naar onze woonboot. En hoera, bij aankomst is de penetrante algenstank eindelijk opgelost!

 

Woensdag

Hoezo, algenstank opgelost? Om zes uur 's morgens is de geur er weer! Vergezeld van het monotone gebrom van de zware hulpmotor van de aak aan de andere kanaalkant, die ons bij zijn vertrek uit bed wiebelt. We varen voorbij een rij aardige hutjes, met aan de voordeur het kanaal en aan de achterdeur de lagune.

Iedereen tuurt ingespannen naar een 'drinkbaar water'-bord, omdat we volledig doorheen onze watervoorraad zitten. Bij een vlottende steiger na Carnon hebben we geluk ... en het is nog gratis ook.

Het kanaal wordt ook van langsom meer aantrekkelijk en de stank is definitief verleden tijd. We varen nog steeds parallel met de kustlijn, een paar honderd meter het binnenland in, naast lagunes, meren en afgesneden zeearmen en besluiten even een kijkje te nemen aan land, dat een dorre vlakte is van mariadistels, gras en schaarse bomen. Maar er huppelen honderden konijntjes, voorbijgespurt door een enkele haas. Er zijn ook plezierjagers aan het werk geweest, want het ligt er bezaaid met hulzen en dode knaagdieren. Alexander informeert naar de nootjes, die verspreid over de grond liggen: het zijn konijnenkeutels.

Een uur verder varen komen we bij La Grande Motte, een kunstmatige stad ontworpen door Balladur, neef van de Franse politicus. De flats zijn in piramidevorm gebouwd en ogen na 25 jaar nog steeds even fris. Brede wegen zonder files verbinden de badplaats met de autosnelweg. Maar de kanaaltoeristen blijven in de kou staan: langs diezelfde betonlinten trekt even later een zwetend groepje Vlamingen (en één Zuid-Afrikaanse) onder de moordende zon naar het centrum. Maar het is de tocht waard, want La Grande Motte is een evenwichtig geheel van flats, villa's, recreatiegebieden en sportfaciliteiten.

De kinderen draaien er een rondje op een authentieke paardenmolen en dan hobbelen we weer naar 'huis', waar we ons laven aan de Muscat-wijn, die vanaf de eerste slok onze geesten benevelt.

Maar de kruising met de Vidourle-rivier waar we rechtsaf moeten naar le Grau-du-Roi kunnen we moeilijk missen: grote schutsluizen en een bord met het cryptisch gebod 'gebod om te stoppen in bepaalde omstandigheden'. We nemen aan dat dit het geval is wanneer de schutsluizen gesloten zijn om de wassende rivier vrije doorgang te verlenen. Maar daar heb je dan geen bord voor nodig, geen hond zou het in zijn hoofd halen om zijn boot tegen de metershoge stalen poorten te kwakken...

De Vidourle is erg breed, maar enkel in het midden bevaarbaar, met een gemiddelde diepte van ruim één metertje. De sterke wind tooit het water met zilveren topjes, die ons in de zuiderzon toeblinken: dit is prachtig! Voor de eerste maal op onze reis leggen we aan in de jachthaven, die van le Grau-du-Roi, maar gelukkig op de laatste plaats van de drijvende steiger, ver verwijderd van de drukte. Voor de eerste maal betalen we ook een liggeld van 72 FF.

Het is een gezellige vissershavenstad, waar alles draait rond de verse zeekost. Het Occitaanse 'Grau' verraadt de herkomst van het stadje, want het betekent 'natuurlijke doorgang tussen zee en meer' (die Occitanen konden het beknopt zeggen!). Die doorgang werd in de dertiende en veertiende eeuw geslagen door de Rhône, toen dit kustgedeelte zijn huidige vorm kreeg.

We leggen aan om vier uur en na een strandnamiddag gaan we op zoek naar een restaurant. Maar het is al halfnegen, en de talloze restaurants zitten eivol. We belanden zo na vele omzwervingen in 'l'Hippocampe' met een menu van 55 FF, inclusief een kwart liter wijn ! De verwachtingen zijn dus erg laag gespannen en worden zelfs dan nog niet ingelost. Maar het voorgerecht bestaat uit een zelf te bedienen koud buffet en dat zullen ze daar geweten hebben! Na de plundering der Noormannen, volgt een matige hoofdschotel en een ijsje met klonters. De wijn kan ook als antigel gebruikt worden, maar de stemming zit er al in.

Het weer blijft zwoel en Jana en Wim liggen nog een paar uur op het bovendek om af te koelen, hierbij nauwgezet gadegeslagen door de voorbijgangers, die zich niet van commentaar onthouden.

 

Donderdag

Nooit meer in een haven aanmeren !!! Blaffende honden, klotsende boten, tikkende masten, toeterende auto's en nieuwsgierige vissers! We geven onze trouwe Atlantic een wasbeurtje, vullen de watervoorraad aan en draaien onder de brug het 'Chenal Maritime' richting Aigues-Mortes in. Dat kanaal leidt langs de 'Salins du Midi': zoutmijnen waar al duizenden jaren water verdampt wordt. Nu ligt er vierhonderdduizend ton opgeslagen in reusachtige witglanzende zoutheuvels: je zou zo je ski's aanbinden om naar beneden te roetsjen.

Om half elf bereiken we Aigues-Mortes, de 'Stad der Dode Wateren'.

De rechthoekige stad is volledig omringd door een vestingmuur van elf meter hoog en met een omtrek van meer dan anderhalve kilometer lang. De stad werd volledig gebouwd door Lodewijk IX de heilige ofte 'Saint-Louis'. Deze vrome koning voelde er niets voor om zijn kruistochten te beginnen in vreemde havens en besloot dan maar er zelf een te bouwen in Aigues-Mortes, dat toen nog aan zee lag. De plaats moest tevens dienst doen als militaire basis, wat de stad zijn massieve uitzicht gaf. Zij werd in 1248 voor het eerst als inschepingshaven gebruikt voor de zevende kruistocht die de Heilige plaatsen moest heroveren op de niet-christenen. Het werd echter een compleet fiasco, waarvan onze heilige Louis pas zes jaar later terugkeerde met een fractie van zijn veertigduizend manschappen. Toch nam hij weer deel aan de achtste kruistocht in 1270, waarin hijzelf stierf aan de pest bij het beleg van Tunis. De ommuring van de stad werd tenslotte voltooid door zijn zoon Filips de Stoute, met vijftien torens en tien toegangspoorten. Maar Aigues-Mortes onderging al in de volgende eeuw het lot van diverse andere plaatsen aan de kust van de Languedoc: de haven verzandde en de stad verloor haar aanzien. De nieuwe kerk moest het zelfs stellen met een houten dak.

Onze eigen kruistocht begint bij de Tour de Constance, het oudste deel van de vesting. Een wat plompe, kolossale, alleenstaande toren, waar meer dan vier eeuwen lang onwillige protestanten opgesloten werden. We zien beneden onze boot liggen, met op de voerplecht een zwaaiende vake. Aan de andere kant hebben we een prachtige gezicht op het platteland, waar zich net een onweer vormt. Even later zien we kilometers verder de ene bliksemflits na de andere inslaan, gevolgd door een tornado die wegzakt uit de inktzwarte wolk en net voor hij de aarde bereikt weer terugkruipt vanwaar hij kwam. Alexander herinnert zich de veiligste houding bij onweer en kruipt op zijn hukjes verder om zich zo klein mogelijk te maken.

Vervolgens maken we de volledige wandeling over de stadswallen, doen wat inkopen beneden en verlaten via de hoofdpoort de vestingstad.

Om twee uur gooien we de trossen los en komen via een verbindingskanaal weer op het Canal du Rhône à Sète. Het is nu wel duidelijk dat onze Atlantic de opgegeven snelheid van 6 kilometer per uur verpulvert en bijna de dubbele snelheid haalt. Onze voorraad gekoelde Muscat wordt aangesproken en zit nog even snel in ons hoofd als de dag ervoor.

Op dit nagenoeg verlaten kanaal nemen Moeke en Mamy eindelijk eens het roer in handen. Gelukkig niet tegelijk, want dan zouden de gevolgen helemaal niet meer te overzien zijn.

We tuffen nu volop door de Camargue met de gekende plaatjes van de wilde paarden en slanke stieren. Het wordt weer bloedheet, zodat we wel moeten blijven varen om te kunnen genieten van een verfrissend windje.

Tien kilometer voorbij het enige dorpje Gallician, zorgt een twee kilometer kort verbindingskanaal voor de nieuwe verbinding met de Petit Rhône. Vanaf hier verandert het uitzicht van het kanaal drastisch, omdat deze connectie het verderop gelegen stuk van het Canal du Rhône à Sète met de nu opgeheven verbinding in Beaucaire in onbruik stelde voor vrachtvervoer. De natuur heeft in die paar jaren al gedeeltelijk bezit genomen van de waterweg: aan bakboord ligt nog wel het keurig gemaaide jaagpad, maar aan stuurboord neigen de bomen al over het water en rukt het riet en het kreupelhout steeds verder op. Hier kruisen we hoogstens om de paar uur nog eens een boot.

We bereiken Saint-Gilles, waar we pas zaterdagmorgen onze trouwe boot moeten inleveren, zodat we nu maar kort aanleggen, wat inkopen doen voor het avondeten en ijs kopen in een ijsfabriekje om onze Muscat te koelen. Want onze twee ijskastjes kunnen niet langer aan de gekoelde vraag voldoen.

Het avondeten wordt achter de kiezen gestoken bij Bellegarde, waar we rond negenen besluiten om een kilometertje verderop te gaan liggen, waar de baan niet vlak naast het kanaal loopt. Dit blijkt echter dé vergissing van de reis te zijn! Nauwelijks hebben we onze aanmeermanoeuvres op de uitverkoren plaats ingezet of we worden aangevallen door het Verenigde Koninkrijk der Vliegende en Kruipende maar vooral Stekende Insecten. Muggen, dazen, libellen, vliegen, sprinkhanen: alles valt de warmbloedigen aan met een nooit geziene overgave. Muggen komen aanvliegen, zetten zich met velen tegelijk op de onbedekte huid en beginnen onmiddellijk te zuigen. Nooit voorheen heeft een van ons zoiets beleefd. Iedereen staat te molenwieken om het vege lijf te redden van de kamikazemuggen.

Wim, die aan het roer staat, wil de boot snel wenden om rechtsomkeer te maken en het vijandelijke leger zo af te schudden, maar wordt hierbij gehinderd door Vake die een net ingeslagen piket niet losgewrikt krijgt. Hals over kop stomen we weg naar onze plaats van vertrek, intussen zuigende insecten verpletterend op armen, benen en aangezicht.

Terwijl we onze wonden likken, een tiental muggenbeten in enkele minuutjes, ontruimen we de leefruimte, die verzengd wordt van het insecticide. De kinderen sudderen in hun hermetisch afgesloten insectvrije kajuit en wij stomen met zijn zessen in de kleine kajuit van Wim en Annemie. Dan volgt het omgekeerde proces, waarbij alle kajuiten chitine-vrij gemaakt worden. Maar deze werkwijze blijkt effectief, want we slapen als rozen, terwijl buiten hordes muggen zich doorheen het gaas proberen te boren.

 

Vrijdag

's Morgens na het traditionele ontbijt met stokbrood op weg naar Beaucaire, anderhalf uur varen naar het noordoosten. Halverwege ligt de enige sluis van het Canal du Rhône à Sète, een kolos gebouwd naar Europese normen van wel negentig meter breed die verschillende grote aken tegelijk aankan. Ons bootje van veertien meter dobbert er in als een plastic eendje in bad. De man in het sluiswachterhuisje bedient voor ons de sluispoorten en slaat met Wim een praatje in een absoluut onverstaanbaar dialect. Wim knikt beleefd en repliceert met 'Oui' en 'En effet' als hij af en toe een hem bekend Frans woord opvangt. De man besluit echter met de verstaanbare vraag of Wim alles begrepen heeft, zodat hij straks de gigantische sluis eigenhandig kan sturen. Slik! Blijkt dat bij deze sluis geen sluiswachter meer hoort omwille van het schaarse verkeer van een vijftal plezierboten per dag, maar dat het de onderhoudsman van het kanaal is, die toevallig passeerde om de ruiten van het sluiswachterhuisje te ontdoen van spinnenwebben. Tot slot informeert de man nog 'of we geen last hebben gehad van de muggen?'. Een beetje, meneer, een beetje! Alexander maakt ons attent op het feit dat hij wel degelijk 'annabellen' gezien heeft: het zullen wel 'libellen' zijn, zeker?

We meren 's middags aan in Beaucaire, een stad van steen en water rond het kanaal en de Petit Rhône. Eeuwenoude ontmoetingsplaats tussen Noord en Zuid en Oost en West. Ze wordt in lovende volzinnen beschreven in de brochure, maar na evaporatie van tachtig procent van onze lichaamsvochten kan dit ons geen snars meer schelen. Het is nu heet, heel heet, heel heel heet en het enige wat een beetje verkoeling kan brengen, is varen.

Het gaat weer door de reuzensluis, waarvan de bediening tenslotte neerkomt op het drukken op een van de twee knoppen. We kiezen zonder verpinken voor de juiste en na een kwartiertje, de tijd die nodig is om deze sluis te legen, gaat het zalig tuffend weer naar het Zuiden.

Maarten en Alexander sturen vele kilometers lang en zij doen dit minstens even goed als de volwassenen. We vergeten zelfs dat Maarten stuurt, tot we even later vijf verbaasde gezichten van een kruisende boot naar onze schipper zien staren.

Jana en Wim besluiten het rubberen bootje van een paar honderd frank op te blazen en achter de Atlantic te hangen. Jana is proefkonijn, maar het gaat meteen mis: de plastic boot gaat dwars liggen en maakt snel water. Vooral wanneer besloten wordt intensiever te testen en een extra dot gas gegeven wordt. Tenslotte wordt het effect nagegaan van het loskoppelen van onze satelliet en even later dobbert Jana hulpeloos in haar bootje in het grote kanaal. Het kost overigens het nodige gemanoeuvreer om ze weer uit het water op te vissen.

We varen nu voor de tweede keer voorbij Saint-Gilles en meren een halve kilometer voorbij de haven aan. Het is nu spijtig genoeg inpakken geblazen en vake vindt eindelijk Moekes zakdoeken: beter laat dan nooit. We zakken af naar de haven, waar we een uitstekend Spaans restaurant vinden, waar het dan net Flamencoavond is. We scharen ons rond de airconditioning en genieten van het karaktervolle spel van de drie gitaristen, die er duidelijk zin in hebben. De service is uitstekend, het eten bijzonder lekker en de ambiance verzekerd. Een van de muzikanten doet immers teken achter Jana's rug, of hij haar mag uitnodigen voor een rondje Flamencodans, waarmee Wim uiteraard instemt en zo danst Jana even later voor het hele restaurant haar versie van de beroemde Spaanse dans.

 

Zaterdag

Om halfnegen vertrekken de oudsten en de jongsten, net zoals ze veertien dagen geleden 's morgens in Castlenaudary aankwamen, om met de trein naar België te reizen.

Het doet Wim hartzeer om de Atlantic in te leveren en hij maakt eerst nog even een toertje over het kanaal, waar nu de een na de andere plezierboot binnenloopt bij de haven van Saint-Gilles. We meren achteruit aan bij de rederij, laden de nog steeds onwaarschijnlijke hoeveelheid bagage uit, die meteen in de achter de boot geparkeerde Audi geduwd wordt. De fietsen gaan weer bovenop en dan is het 'uitchecken'. Vertelt men ons dan pas dat we eerst de dieseltank moeten bijvullen bij de pomp. Die is strategisch geplaatst op het hoekje van de brug van Saint-Gilles, nagenoeg totaal onbereikbaar door de langs weerzijden dobberende boeien.

Jana bestuurt, maar een beetje te hard, zodat de boeg net voorbij de brug schiet. Er is dan geen weg meer terug: de boot komt schuin te liggen en dobbert op zijn duizendste gemakjes volledig dwars door de brug, met een speling van dertig centimeter voor en achter. De algemene verwondering bij een tiental mannelijke inwoners, die onder de brug het schouwspel gadeslaan, over de stuurvrouwkunst van Jana is grenzeloos. Wim schiet ter hulp, keert de boot en laveert tussen de brug en de boeien door naar het pompje. Het moet gezegd zijn: een akelig manoeuver! Nu nog gauw een douche en dan nemen we definitief afscheid van ons trouw beestje. Maar we komen weer, misschien al volgend jaar.

We vertrekken nog niet meteen uit Saint-Gilles, want door een gelukkig toeval is het ook hier, net zoals ruim een week geleden in Béziers, 'Féria'.

We zien een lokale versie van de 'Joutes nautiques', waarbij de tegenstrevers, achteraan staand op de uitbouw van een sloep, mekaar met behulp van een stok hiervan proberen af te duwen. Ze dragen een borstplaat, die meer dan welkom is, want de lansen komen behoorlijk hard aan.

Het geluk blijft met ons, want nog geen uurtje later is er de stierenloop in de stad, waarbij Camargue-stieren door de straten gejaagd worden, geflankeerd door twee ruiters en aan de staart en schouders tegengehouden door de dapperste jongemannen van de stad.

Wim Van Rompuy - copywritingDit schouwspel besluit echter onherroepelijk deze mooie watervakantie. Met herinneringen aan de eerste week in het pittoreske Canal du Midi met zijn zeventig sluizen, schattige dorpjes en statige platanen en de tweede week van weidse vergezichten op de Etang de Thau, het strandplezier in de badsteden van de Languedoc en de stilte van het noordelijk deel van het Canal du Rhône à Sète, stappen we in onze auto en rijden naar België toe.